‘Ik ben op zoek naar mijn donor, niet naar mijn vader’.

27 09 2012

Pleidooi voor een tweesporensysteem

In België is het doneren van zaad- en eicellen in principe strikt anoniem, zoals vastgelegd in de wet  op de medisch begeleide voortplanting.

Maar de dagelijkse praktijk – kinderen die vragen naar hun donor –  en de toegankelijkheid tot spermabanken via internet (www.dk@cryosinternational.com) zorgen ervoor dat de anonimiteit niet langer gegarandeerd wordt. Wil dit zeggen dat de wetten aangescherpt moeten worden om koste wat kost de anonimiteit te garanderen?

HVV vindt dat de tijd rijp is om het debat te voeren of de anonimiteit wel gegarandeerd moet blijven. Of bestaat er een andere optie die de ideale oplossing geeft aan de wensen van de drie actoren in dit verhaal: het kind, de ouders en de donor?

Gisteren getuigde en KID-kind (Kunstmatige Inseminatie Donor) in Terzake. Eén uitspraak  viel op: “Ik ben niet op zoek naar mijn vader, wel naar mijn donor”. Met andere woorden: deze vrouw van 30 is op zoek naar haar genetische geschiedenis en die geschiedenis wordt haar bij wet afgenomen. Zelfs gewone fysieke kenmerken, zoals haarkleur, ogen en sociale gegevens zoals opleiding en beroep mag ze niet weten. Nochtans bewijst onderzoek dat een KID-kind niet op zoek is naar een ontmoeting met de donor en niet op zoek is naar een zorgvader. Neen, een KID-kind wil vooral informatie over hoe die genetische ‘vader’ eruit ziet, wat hij studeerde enz. Dit werd nogmaals bevestigd in het gesprek gisteren. Bovendien werd dé grote angst van elke donor weerlegd: bij wet kan vastgelegd worden dat er nooit onderhoudsgeld of andere financiële eisen van de donor kunnen geëist worden. Het juridische luik kan perfect gesloten blijven, tenzij de donor hier zelf van afstapt.

Er werd ook gepraat over de drie actoren in dit verhaal en hun wensen: de wensouder(s), de donor en het kind. In de discussie over de anonimiteit staan de belangen van de verschillende actoren soms lijnrecht tegenover elkaar. Er is vooreerst het belang van het kind, dat om medische of psychologische redenen op zoek is naar zijn verwekker. Verder geldt het belang van de ouders van het kind, die omwille van fertiliteitsproblemen of de afwezigheid van een biologische vader/moeder hun toevlucht hebben gezocht tot kunstmatige bevruchting via een derde, en dit feit in veel gevallen niet aan de grote klok willen hangen. Ten slotte is er het belang van de donoren, die kindloze paren willen helpen met het (anoniem) afstaan van hun zaad- of eicellen. Elke regelgeving omtrent de anonimiteit van donoren moet die belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen, en zo mogelijk met elkaar verzoenen. Alleen wordt er in deze discussie volledig voorbijgegaan aan het gegeven dat het kind de enige acteur in het verhaal is die geen keuze kon maken. En hebben kinderen geen rechten? Ik denk van wel.

Twee bronnen van internationaal recht worden in het debat over donoranonimiteit steeds opnieuw aangehaald. In eerste instantie refereert men aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Artikel 7 stelt dat ieder kind het recht heeft om, in de mate van het mogelijke, zijn ouders te kennen en door hen verzorgd te worden. Een ruime interpretatie van dit artikel geeft kinderen het recht om op zoek te gaan naar de genetische afstamming. Het IVRK stelt bovendien dat de belangen van het kind steeds de eerste overweging vormen bij maatregelen die kinderen betreffen. Maar er is ook artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op bescherming van het privé-leven waarborgt. Donoren hebben die bepaling al enkele malen ingeroepen om hun  anonimiteit te beschermen. Dit recht is evenwel niet absoluut en kan bijvoorbeeld beperkt worden om de rechten van anderen te doen eerbiedigen. Tot op heden stelde het Europees Hof zich evenwel sceptisch op ten opzichte van die beperking. Maar wat als er een andere uitspraak komt?

Ieder kind stelt zich wel eens de vraag naar zijn afkomst. Die vraag is niet altijd even gemakkelijk te beantwoorden. Kinderen die door hun biologische ouders worden opgevoed, hebben daarover zekerheid. Ook bij adoptie beschikt men tegenwoordig meestal over de mogelijkheid om de identiteit van de biologische ouder te achterhalen. Veel KID-kinderen weten niet eens dat hun ouders niet hun biologische verwekkers zijn. De kans is echter reëel dat zij er door medische gegevens of een ‘verspreking’ zullen op uitkomen dat één van hun ouders niet hun genetische verwekker is. Door het jarenlange beleid van donoranonimiteit zijn zij afgesneden van informatie over hun genetische afkomst.

Ik beseft ook wel dat een radicale afschaffing van de anonieme donatie – de enige manier om alle KID-kinderen dezelfde rechten te geven – niet haalbaar is. Er zou een tekort aan donoren zijn en fertiliteitcentra zullen deze aanpassing van de wet nooit steunen. Daarom lijkt een ‘tweesporenbeleid’ mij een goede oplossing: een anomiem spoor naast een niet-anoniem spoor. Zowel de donor als de wensouder(s) kunnen kiezen. Dit zorgt ervoor dat heel wat donorkinderen wel op zoek kunnen gaan naar het ontbrekende puzzelstukje.

Nog een voordeel van dit beleid is dat er meer kinderen zullen zijn die onderdeel kunnen uitmaken van een onderzoek. En als zo’n onderzoek duidelijk zou stellen dat de angst van de donor, om op een mooie lentedag zijn stoep vol met nazaten te vinden, onterecht is, dan is het misschien toch ooit mogelijk de anonimiteit volledig op te heffen en aan alle kinderen dezelfde rechten te geven. Rechten die hen toekomen!

Jacinta De Roeck, gewezen senator en directeur Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging (HVV)

Advertenties




Uitbreiding euthanasiewet, ook voor mensen met een verstandelijke beperking

23 04 2012

Ook mensen met een verstandelijke beperking kunnen de maturiteit hebben om te kiezen voor euthanasie

 

“Het Humanistisch Verbond (tegenwoordig HVV: Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging) speelde een zeer belangrijke rol in het tot stand komen van de huidige euthanasiewet.” zegt Jacinta De Roeck, directeur van HVV. “Natuurlijk weet ik dat onze wet niet perfect is. Ik werkte zelf heel actief mee aan die wet. Ik heb altijd al gezegd dat de wet de dementen in de kou laat staan.”

Het is dan ook moeilijk om elke dag opnieuw in gesprekken (HVV registreert wilsverklaringen euthanasie en helpt de mensen bij het invullen ervan) te moeten duidelijk maken dat het wel nuttig is een wilsverklaring euthanasie in te vullen, maar dat deze verklaring totaal waardeloos is voor elke vorm van verworven wilsonbekwaamheid. “De wet laat de toepassing immers alleen toe voor uitzichtloze coma. En, eerlijk gezegd, daarvoor is er geen euthanasiewet nodig! Het goede medische handelen van elke arts zorgt ervoor dat iemand in een uitzichtloze coma niet kunstmatig in leven gehouden wordt.”

HVV blijft dan ook een correcte uitvoering van de wet en een uitbreiding van de wet eisen.

“Ik erger mij mateloos aan ziekenhuizen die euthanasie weigeren en palliatieve sedatie toepassen. Ze misbruiken de emotioneel wankele toestand van de patiënt en de familie! Het kan niet dat een ziekenhuis met één hand klaarstaat om federale subsidies te krijgen en met de andere hand een democratisch gestemde wet van tafel veegt! En in de psychiatrie is het nog schrijnender. Mensen die bij een intakegesprek het woord euthanasie laten vallen, worden soms botweg geweigerd en de deur gewezen. Over barmhartigheid gesproken!”

 

HVV zou HVV niet zijn als ze nu al niet de kiemen zou leggen voor een volgend debat.

“De uitbreiding voor minderjarigen en dementen zal er wel komen.” zegt De Roeck, “De stem van onze samenleving klinkt zo luid dat de politici ooit zullen moeten luisteren. Maar wat als de uitbreiding er is? Zelfs dan staat er een groep in haar geheel in de kou: de handelingsonbekwame meerderjarige en de verlengd verklaarde minderjarige. Voor een vrijzinnige kan dat niet. Ook iemand met een verstandelijke achterstand, die matuur genoeg bevonden wordt door het team, moet om euthanasie kunnen vragen. Een moeilijk debat gezien de historische voorgeschiedenis. Toch hopen wij dit debat met de begeleiders en de professionelen te kunnen voeren in een serene en open sfeer. Ik heb via mijn werk als directeur van HVV en via de netwerken die ik tijdens mijn politieke loopbaan opbouwde, veel contact gehad met mensen uit het veld. Begeleiders spraken me hier zelf over aan.”

 

Informatieve tekst

HVV en de strijd voor een correcte euthanasiewet voor elk individu.

Het Humanistisch Verbond trok al sinds de jaren 50 aan de kar om euthanasie wettelijk mogelijk te maken. Vijftig jaar later was het eindelijk zo ver.  We hebben een wet, die weliswaar niet perfect is, maar ze is er wel, en ze is intussen behoorlijk ingeburgerd in onze samenleving! De LEIFartsen en –nurses zorgen dat deze wet op het veld duidelijk gecommuniceerd wordt. Het ULteam biedt zelfs een uitweg voor die betrokkenen, familie en zorgverleners die ‘in de kou’ blijven staan. Morele consulenten van deHuizenvandeMens.nu staan klaar voor info en begeleiding en ook HVV speelt een prominente rol in de informatie, opvolging en zelfs ondersteuning. Maar toch is de strijd is nog niet gestreden!

 

Een wet die nog altijd niet correct toegepast wordt.

 

We merken  elke dag opnieuw dat de wet niet correct toegepast wordt. Artsen en ziekenhuizen die de wet niet genegen zijn, negeren nog steeds de wens en de autonomie van de patiënt en zoeken ‘achterdeuren’ om de euthanasievraag niet te horen of op een zijspoor (het intussen te vaak gebruikte palliatieve sedatie-spoor) te zetten, het bekende ‘uitstelgedrag’. Uitspraken als “Het is nog veel te vroeg om daarover te praten.” of  “Ikzelf kan echt niet ingaan op je vraag, maar ik zal op zoek gaan naar een ander arts.” – iets wat wel gezegd wordt, maar niet gedaan –  zijn schering en inslag. Moreel consulenten, ethische begeleiders en zorgverstrekkers ergeren zich hieraan, maar ze staan vaak machteloos. Wat ons vooral stoort is dat de zwakke positie  en de emotionele erg wankele gemoedstoestand van de patiënt en de familie ‘misbruikt’ worden.

 

HVV blijft daarom eisen dat de wet correct wordt toegepast:

–          Het kan niet dat ziekenhuizen een democratisch gestemde wet negeren, maar wel geen enkel probleem hebben met het krijgen van subsidies van diezelfde ‘federale’ overheid.

–          Het kan niet dat een huisarts, omwille van een morele reden, zijn patiënt in de kou laat staan en niet doorverwijst! Natuurlijk kan en mag hij weigeren, euthanasie is en blijft een ethisch en moreel zware beslissing. Maar die ‘morele vrijheid’ mag geen vrijgeleide zijn om niet de goede zorg te verstrekken die in de wet op de patiëntenrechten ingeschreven staat, om nog maar te zwijgen van de deontologische code waaraan een arts verplicht is!

–          Het kan ook niet dat de psychiatrie de euthanasievraag van mensen die een psychisch lijden hebben opzij schuift. Zeker niet omdat meer dan 90% van de psychiatrie in handen ligt van de ‘tegenstander’ van de wet. Is het barmhartig om mondige psychiatrische patiënten in de kou te laten staan door aan hen een intake te weigeren enkel en alleen omdat zij het woord ‘euthanasie’ laten vallen?

 

En dit is nog maar de top van de ijsberg. Als directeur van HVV ben ik vaak op pad voor infosessies, ook heb ik heel wat contacten met de mensen in de praktijk: de artsen, de zorgverleners, maar ook de patiënten zelf en hun familie. Vaak heb ik het gevoel dat we 10 jaar nadat de wet er kwam niet verder staan dan 10 jaar geleden. Een kleine groep blijft zich hardnekkig verzetten (cfr. het opiniestuk van René Stockman in DM van 6/4 – op ‘goede vrijdag’ nb!- ), en dat terwijl een ruime meerderheid van onze samenleving (gewone mensen en professionelen) duidelijk ‘anders’ denkt.

 

 

Een petitie om de politieke wereld wakker te schudden.

HVV probeerde in 2010 en 2011 de besprekingen op de politieke agenda te zetten. Tevergeefs. Een petitie, die mee ondersteund wordt door LEIF, RWS, de Grijze Geuzen, deMens.nu (vroeger UVV) en PMD Antwerpen werd massaal ondertekend en stopt op 22 april. Deze petitie zal later in het voorjaar overhandigd worden aan de Senaat. Daarmee tonen we aan dat de samenleving onze vraag voor een verfijning en een uitbreiding ondersteunt. Om nog meer druk uit te oefenen werd er tijdens de onderhandelingen een brief aan de onderhandelaars gestuurd om het belangrijke dossier op te nemen in de regeringsverklaring en zo te garanderen dat er een politiek debat zou komen. Er kwamen enkele positieve reacties van partijen en ook van enkele parlementsleden. Er staat echter niets in de regeerverklaring. Omdat de media zo een belangrijke rol kunnen spelen werd er zeer vaak gereageerd in de pers: met opiniestukken, lezersbrieven en interviews. HVV was een belangrijk partner in het tot stand komen van de wet, en is dat nu zelfs meer dan ooit. De samenwerking met LEIF en vooral met Wim Distelmans zorgt ervoor dat we ons standpunt duidelijk kunnen maken aan de bevolking. De huidige directeur van HVV (Jacinta De Roeck) was zelf één van de makers van de euthanasiewet als senator (AGALEV 1999-2003). Dankzij haar netwerken blijven we een prominente rol spelen.

 

 

Welke verfijningen en uitbreidingen vraagt HVV?

De verfijningen

  • Vermits de wilsverklaring steeds herroepbaar is, is een tijdslimiet van 5 jaar overbodig. Het is wenselijker de tijdslimiet te schrappen. De gemeenten, die de wilsverklaringen registreren, moeten nu al verplicht worden de betrokkenen automatisch op de hoogte te brengen van het nakende verstrijken van de tijdslimiet.
  • Indien de wilsverklaring euthanasie geregistreerd werd, dient het bestaan hiervan opgenomen te worden op de chip van de elektronische identiteitskaart of  siskaart.
  • Er moet een doorverwijsplicht komen voor de arts die euthanasie weigert.
  • Er moet toegezien worden op het feit dat ziekenhuizen die met overheidsgeld werken, de toepassing van de euthanasiewet niet in de weg staan.
  • Euthanasie voor psychiatrisch patiënten is perfect mogelijk via de huidige wet. Toch merken we dat zowel psychiaters als psychiatrische instellingen – die in meer dan 90% van de gevallen katholiek zijn – zeer huiverig staan tegenover de toepassing van de wet. Psychiatrische patiënten met een euthanasievraag, die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, blijven in de kou staan. Erger nog, we horen te vaak getuigenissen van patiënten die zelfs geweigerd werden voor een opname, enkel en alleen omdat ze hun euthanasievraag ter sprake brachten, wat in strijd is met de wet op de patiëntenrechten.

 

De uitbreidingen

–          Ook euthanasie bij verworven wilsonbekwaamheid moet kunnen.

De bepalingen in de wet van 28 mei 2002 gelden niet voor mensen met een ‘verworven wilsonbekwaamheid’. Euthanasie voor dementerenden is dus nog steeds onmogelijk en ook een wilsbeschikking, opgesteld wanneer mensen wel nog volledig zelfstandig kunnen beslissen, biedt geen oplossing. Intussen gaan er steeds meer stemmen op om de wet ook voor mensen met een onomkeerbare hersenaandoening mogelijk te maken. Cijfers bewijzen (meer dan 70% van de bevolking volgens een Dimarso onderzoek) dat er een ruim maatschappelijk draagvlak is. HVV aanvaardt dan ook niet dat de ‘volks’vertegenwoordigers hun taak niet opnemen en de wet niet herbekijken in het parlement. Want intussen bewijst de praktijk steeds vaker dat er patiënten zijn, zoals Hugo Claus, die uit angst voor een geestelijke aftakeling, in een bepaald stadium van de dementie om euthanasie vragen op basis van het ondraaglijke geestelijke lijden dat de ziekte voor hen teweeg brengt, en dit op een moment dat ze wel nog voldoende bewust zijn. Zij stappen als het ware vroeger uit het leven dan nodig, enkel en alleen omdat de wet hier te kort schiet.

–          Euthanasie voor minderjarigen.

­Minderjarigen die ongeneeslijk ziek zijn en ondraaglijke pijn lijden die niet gelenigd kan worden, zijn volkomen uitgesloten van het recht op euthanasie. Toch is hun lijden even groot, de toestand waarin zij verkeren even ondraaglijk en mensonwaardig. Een aanpassing in de wet van 28 mei 2002 moet euthanasie voor minderjarigen mogelijk maken. De praktijk leert ons immers dat kinderen die zich in een uitzichtloze situatie bevinden een grote mate van maturiteit hebben, zeker ten opzichte van andere, gezonde kinderen. Het trekken van een leeftijdsgrens is bijgevolg een absoluut arbitraire aangelegenheid. Onze wet op de patiëntenrechten geeft jongeren en kinderen maximaal een stem in hun medische verhaal zonder dat er een leeftijdsgrens getrokken wordt.

HVV ijvert er dan ook voor de euthanasiewet uit te breiden voor wilsbekwame minderjarigen, en dit zonder een leeftijdsgrens, in overleg met de ouder/s en dit in analogie met onze Belgische patiëntenrechtenwet.

 

Maar zelfs met de verfijningen en de uitbreidingen is er nog een weg te gaan.

50 jaar geleden speelde HV een voortrekkersrol om de euthanasiewet erdoor te krijgen. Nu is het de taak van HVV om het volgende debat aan gang te trekken. Het kan niet dat er een groep in haar geheel door de wet uitgesloten zal blijven. Ook voor de verlengd minderjarig verklaarde en voor de handelingsonbekwaam verklaarde meerderjarige moet er een mogelijkheid zijn om euthanasie te vragen als zij de maturiteit daarvoor hebben.

De wet op de patiëntenrechten stipuleert: “De patiënt zelf moet zoveel mogelijk bij de uitoefening van zijn rechten worden betrokken.”

Het debat kan bijgevolg perfect gevoerd worden.

Zoals we vragen dat ook jongeren en kinderen over hun levenseinde kunnen beslissen als zij daarvoor de maturiteit hebben, zo vragen we ook op de euthanasievraag van  handelingsonbekwamen, zoals verlengd minderjarig verklaarden en mensen met een mentale achterstand, die door een team matuur genoeg verklaard worden, kan ingegaan worden. Het is namelijk niet omdat iemand zijn of haar materiële belangen niet kan behartigen en het moeilijk heeft om in onze maatschappij te functioneren, dat die iemand niet perfect over zijn of haar eigen lichaam kan meespreken. Wat geldt voor de seksualiteitsbeleving van deze personen, geldt ook voor vragen bij medische aandoeningen en voor vragen over het levenseinde.

We beseffen dat dit debat bijzonder gevoelig ligt omdat de geschiedenis hier meer dan ooit ervoor zal zorgen dat er veel tegenstand zal zijn. Maar HVV vindt dat geen enkel debat uit de weg gegaan mag worden. Ook kwam dit item nog niet vaak ter sprake en moet het hele traject nog afgelegd worden. Zowel binnen de ledenvereniging HVV, de vrijzinnige wereld en de samenleving zelf. We hopen in ieder geval op het professionele werkveld (instellingen, artsen en begeleiders, patiëntenverenigingen, …) te kunnen rekenen bij het voeren van een eerlijk debat dat niet al direct gesmoord wordt omdat de geschiedenis dit niet zou toelaten.

 

Voor meer informatie kan je terecht bij:

Jacinta De Roeck, gewezen senator en directeur van HVV

0475 – 75 93 53





Godsdienstig vuur tegen kritische media

14 11 2011

Na de brandstichting door moslimextremisten bij Charlie Hebdo
door Jan-Pieter Everaerts van het onafhankelijke Belgische e-zine De Groene Belg

“There can be no press freedom if journalists live in conditions of corruption, poverty or fear”
International Federation of Journalists

De brandstichting die in de nacht van 2 op 3 november in Parijs de redactie van het satirisch weekblad Charlie Hebdo in de as legde, zal het wel voor elke vrijzinnige duidelijk hebben gemaakt: met de opkomst van de islam in Europa laait de oude strijd tussen vrijzinnigen en godsgelovigen in alle hevigheid weer op. Letterlijk. In Parijs verstoren dezer dagen dan ook nog christelijke fundi’s een toneelstuk over Christus – “Sur le concept du visage du fils de Dieu” van Romeo Castelluci – en aan joodse medeburgers die elke krktiek op de apartheidsstaat Israël als antisemitisch willen bestempelen, is er jammer genoeg ook geen gebrek.

 Herinneringen aan nazi-boekverbrandingen

Brand stichten bij je tegenstanders: het is van alle tijden. In de V.S. was het bijvoorbeeld een strijdmiddel tussen de eerste filmstudio’s aan de westkust. En soms stak men niet alleen een concurrende studio in brand maar meteen een hele woonwijk. In Afghanistan verbrandden de Taliban bij hun aan de macht komen dan weer alle films die ze te pakken kregen. In de vlammen zag de historisch bewuste burger herinneringen opduiken aan de boekverbrandingen in nazi-Duitsland.

In eigen land was het het Antwerpse filmcollectief Fugitive Cinema – met Robbe De Hert als bekendste lid – dat zijn zaal King Kong in rook zag opgaan na een brandstichting door extreem-rechts. Nog in eigen land joeg extreem-rechts eveneens het laatste progressistisch Belgisch weekblad POUR (gevestigd in Elsene) begin jaren ’80 de vlammen in. Toenmalig hoofdredacteur Jean-Claude Garot was in die tijd bezig met het uitspitten van enkele politiek-financiële schandalen.

Begin november 2011 dan werden in Parijs de lokalen van het weekblad Charlie Hebdo in de as gelegd. Daar bleef het niet bij want ook de website van Charlie Hebdo ging plat. Dat gebeurde vanuit Turkije. Bij Bluevision, de Belgische webhost van het blad, liepen doodsbedreigingen binnen. De Franse krant Libération die Charlie Hebdo tijdelijk onderdak verleende, kreeg ook bedreigingen. Met name van één van de Turkse hackers die beweerden te handelen tegen “een belediging van onze waarden en ons geloof”. “Si Libération continue à publier ces dessins, nous nous occuperons d’eux aussi”, verklaarde ene Ekber, een jonge man van 20 jaar die in Istanbul geïinterviewd werd. De Turkse hackers distantieerden zich wel van de brandstichting. Ekber daarover: “Nous ne soutenons pas la violence. L’islam est une religion de paix. Ces actes sont le fait de gens qui se servent de la religion”. Aldus de jonge Turk waarvan op http://www.express.be te vernemen viel dat hij een universiteisstudent is en toekomstig informatica ingenieur.

En het begon allemal nog zo speels. In het eerste nummer van november “vierde” Charlie Hebdo – dat voor de gelegenheid de titel “Charia Hebdo” kreeg en de profeet Mohammed als hoofdredacteur had – “de overwinning” van de islamitische partij Ennahda in Tunesië. Zij het dan op satirische wijze. Blijkbaar bestaan er echter moslims die daar niet kunnen mee lachen. Met als gevolg: een golf van kritiek, haatoproepen, de brandstichting, het hacken en de doodsbedreigingen.

Niet het eerste het beste weekblad

Met Charlie Hebdo werd niet het eerste het beste blad aangevallen. Toegegeven, het weekblad dat ook in België te koop is, is voor de Belgische lezer vaak te sterk gefocust op de Franse situatie. Maar toch. Wie even op het Web zoekt naar waar Charlie Hebdo voor staat, denkt al snel in termen van “een instituut”

Wikipedia omschrijft het blad zo: “Charlie Hebdo est un hebdomadaire satirique français. Largement illustré, il est fait de multiples chroniques et pratique de temps en temps le journalisme d’investigation en publiant des reportages à l’étranger ou sur des domaines comme les sectes, l’extrême droite, le catholicisme, l’islamisme, la politique, la culture, etc. Sa ligne éditoriale communément admise est de gauche. Selon Charb, la rédaction du magazine reflète en effet « toutes les composantes de la gauche plurielle, et même des abstentionnistes » (http://fr.wikipedia.org/wiki/Charlie_Hebdo )

Op Wikipedia vind je ook dat het blad een voorgeschiedenis heeft die teruggaat tot 1960 toen de voorloper, het maandelijkse Hara-Kiri, het licht zag. Hara-Kiri noemde zichzelf « un journal bête et méchant ». Tijdelijke publicatieverboden in 1961 en 1966 maakten het Hara Kiri niet makkelijk om te overleven maar in 1969 kon toch overgeschakeld worden op een wekelijkse frequentie: Hara-kiri-hebdo. Wanneer het ministerie van binnenlandse zaken in 1970 een nieuw publicatieverbod oplegt – wegens een schokkerend geacht nummer na de dood van generaal de Gaulle – besluit de ploeg van het weekblad gewoon verder te publiceren, maar onder een andere naam: Charlie Hebdo.

Uit de jaren 70 onthield de redacteur van Wikipedia een verbazingwekkend goed gedocumenteerde kroniek over extreem rechts. Begin jaren 80 moet Charlie Hebdo er echter mee stoppen, bij gebrek aan abonnee’s. Zomer 1982 is het een nieuwe ploeg die opnieuw met Charlie Hebdo van start gaat en die een breed spectrum aan standpunten aan bod laat komen.

Maar het is twintig jaar later – november 2002 – een artikel over de Islam dat het blad de meeste kritiek oplevert. Na de aanslagen in New York op 11 september 2001, had Charlie Hebdo zich al gedistancieerd van sommige extreem-linkse stromingen die vanuit hun anti-amerikanisme, de islamisten weigerde te veroordelen. Wat het weekblad conflicten oplevert met dat deel van links. Ook rond de posities van Tariq Ramadan ontstaan er hevige meningsverschillen.

De laatste jaren zakten de verkoopcijfers van Charlie Hebdo weg. Eind 2009 werden er nog 53 000 exemplaren verkocht. Anno nu nog zo’n 48.000.

Op het Web bleef Charlie Hebdo lange tijd afwezig, tot op 10 september 2008, toen het startte met (het begin november gekraakte maar op maandagochtend 7 november toch al weer consulteerbare) http://www.charliehebdo.fr.

Wat Charlie Hebdo in de ogen van nogal wat van zijn lezers echter veel geloofwaardigheid kostte, was het conflict met één van zijn medewerkers, Sine, over een grap die de cartoonist gemaakt had over het nakende huwelijk van zoon Sarkozy met een steenrijk meisje van joodse afkomst. Net als Sine hebben inmiddels de meeste stichtende medewerkers het blad verlaten en is het huidige Charlie Hebdo volgens kritici nog slechts “een totale usurpatie van het oorspronkelijke blad” Hun voorkeur gaat nu uit naar het maandblad SINE Mensuel (http://www.sinemensuel.com/).

De meningsverschillen binnen en rond de redactie van Charlie Hebdo liepen diverse keren uit op aanslepende vetes en rechtszaken. Maar elkaars woningen of auto’s in brand steken, zo ver kwam het nooit. De geschillen werden uitgevochten zoals het hoort in een rechtsstaat: met woorden en desnoods tot voor de rechter, maar niet met vuur.

In de nacht van 1 op 2 november 2011 volgde echter de brandstichting door moslimextremisten in de lokalen van Charlie Hebdo (62, boulevard Davout, 20e arrondissement) en dat dus omwille van het numero “Charia Hebdo”.

 


De tekening van Charlie Hebdo met een vrolijke Mohammed die lacht: “100 zweepslagen, indien u niet sterft van het lachen”. In het Charia Hebdo nummer waren ook tekeningen te vinden die de “zachte charia” (islamitische wetgeving) illustreren alsook een “Charia voor mevrouw”. Achterin het nummer een tekening van Mohammed met rode clowsneus en de uitdrukking: “Ja, de islam is te verzoenen met humor”.

 Het houdt ook nooit op met godsdienstig geweld

Charlie Hebdo kennen we nu. En meteen werd een hele geschiedenis van problemen met kritiek op de islam opgerakeld. Een geschiedenis waar ook de doodsvonnis-fatwa toe behoort die Khomeiny uitsprak tegen de schrijver Salman Rushdie die jarenlang ondergedoken moest leven. Een geschiedenis die er niet in die mate (alhoewel, zie verder …) te vertellen valt rond de katholieke kerk die toch ook stevige kritieken te verduren kreeg uit de hoek van bv. surrealistische cineasten. Wat zou er gebeuren mocht Monty Python na “The life of Brian” (losjes geïnspireerd op het leven van Christus) ook nog “The Life of Bohammed” draaien?

In het weekblad Humo vroegen enkele moslimjongeren ooit waarom mensen in het Westen zo negatief staan tegenover de islam en niet tegenover het boeddhisme bijvoorbeeld. Het antwoord op die vraag lag voor de hand. Het boeddhisme heeft nimmer de grote oorlogen ontketend en heelder beschavingen onder de voet gelopen op de manier waarop de islam dat deed.

Integendeel: het waren de oprukkende moslimlegers die het boeddhisme in zijn bakermat India de genadeslag gaven. Eeuwenlang zou India kreunen onder een islamitische onderdrukking. Bij elke verovering werd het concept hernomen dat Mohammed al toepastte op de joden in Medina: de mannen vermoorden, de vrouwen en kinderen als slaven verkopen. De moslimlegers werden zo gevreesd dat als de vrouwen van een Indische stad zagen dat hun soldaten het niet konden halen, ze collectief zelfmoord pleegden door zich in brand te steken.

Op het Web zijn schattingen te vinden dat de Westerse christelijke ‘transatlantische’ slavenhandel zo’n 12 miljoen Afrikaanse slachtoffers gemaakt heeft, maar de islamitische slavenhandelaars hebben naar verluidt vanaf de 7de eeuw zo’n 18 miljoen mensen (Afrikanen, Aziaten en Europeanen) als slaaf verhandeld. (Maar er zijn ook bronnen die het zelfs over 28 miljoen Arabische slaven hebben.) De hindoes daarentegen hebben zich naar verluidt nooit verlaagd tot het verhandelen van mensen.

En het geweld vanuit christelijke en islamitische landen blijft verder gaan. Terwijl “god bless America” met zijn Europese en andere bondgenoten de wereld wil blijven domineren en desnoods bombarderen (zoals in LIbië), woedt het islamitisch geweld eerder van onderuit. In Nigeria bv. vielen begin november nog minstens 150 doden bij aanslagen opgeëist door de islamiitische sekte Boko Haram tegen politieposten en kerken. Wie weet overigens wat joods Israël in petto heeft als het effectief besluit de islamitische staat Iran vanwege zijn vermoede kerwapens te bombarderen ? Zou een mens niet moeten pleiten voor een verbod op godsdienst in de politiek?

Islam was niet bedoeld om democratisch te zijn

Er is al veel inkt gevloeid over de vraag of de islam al dan niet verzoend kan worden met het democratisch systeem zoals dat in West-Europa geleidelijk aan ontwikkeld werd, een evolutie waartoe ook in onze contreien, in het hertogdom Brabant met name, al in de middeleeuwen gepionierd werd.

Het antwoord op die vraag is te vinden in het boek “Islam voor ongelovigen” van Lucas Catherine. Deze linkse auteur beschrijft daarin hoe de profeet zich in “de eerste islamitische staat” (Medina) al meteen van zijn beste kant toonde. “Als absolute heerser bezat de Profeet de wetgevende macht.” (. . .) “Hij was de bevelhebben van het leger, hoofd van de zich vormende politie, die de interne tegenstanders opruimde. Hij beheerde de openbare financiën, op basis van één vijfde van de oorlogsbuit. Verder vaardigde hij reglementen uit die het leven van de slaven en de niet-moslims binnen de stad bepaalden.” (pagina 36)

“Hoofd van de zich vormende politie, die de interne tegenstanders opruimde.” “Opruimde“. Vermoordde dus. Klinkt dat als een ingrediënt voor een democratie ?

Weldus; wie trouw het voorbeeld van de profeet wil volgen, die kan geen democraat zijn.

Gelukkig willen de meeste moslims meestal ook “gewone” mensen zijn die temidden van familie en vrienden gelukkig en in vrede willen leven. En die dus hun godsdienst met matigheid toepassen. Maar het probleem is dat “extremisten” zich zo gemakkelijk kunnen spiegelen aan hun grote profeet. En die is anders dan een Christus of een Boeddha een echte oorlogsmisdadiger geweest. Eerst waren het karavanen die werden overvallen: een bepaald lafhartige taktiek. Vervolgens kwam het tot oorlogen tussen steden, tussen Medina en Mekka. Eén van de absolute dieptepunten uit Mohammeds leven was dat hij in Medina alle mannelijke joden van de Banu Qurayza liet vermoorden: “600 tot 700 mannen werden in een massagraf op het marktplein van Medina begraven en alle vrouwen en kinderen werden als slaaf verkocht.” (Catherine pagina 36)

Het moet hierbij toegegeven worden dat ook sommige Romeinse en andere heersers destijds deze combinatie van moorden en verkopen, toepasten. Evenmin hebben de moslims het elkaar vermoorden uitgevonden. Maar bij moslims blijft dat wel verder gaan, met name tussen soennieten en sjiieten in een land zoals Pakistan.

Hét grote verschil met het christendom is dat die godsdienst vreedzaam gesticht werd en dat Christus zich zelfs aan het kruis liet nagelen. Tot op het moment dat het christendom in Rome staatsgodsdienst werd – ca. 380 – was het een vervolgde godsdienst. Maar vandanaf werd het zelf een vervolgende godsdienst, wat aantoont dat ook met een vredesduif als stichter het snel ontsporen kan. Want altijd is er weer die absolute superdictator in de hemel op wie godsdienstige ‘leiders’ zich kunnen beroepen om zich het recht toe te eigenen te beschikken over leven en dood van hun medemensen.

“Les extrèmes se touchent?”

Eindeloos kunnen we ons blijven ergeren aan al de ongerijmdheden waarmee godsdiensten ons confronteren. Op de dag dat voor het onafhankelijk ezine De Groene Belg een eerste versie van deze tekst geschreven werd – zondag 6 november – ging het in de televisiejournaals uitgebreid over het islamitisch Offerfeest. Dat ‘feest’ herdenkt hoe Abraham in totale onderdanigheid zijn enige zoon aan “God” wou offeren, door zijn eigen kind de keel over te snijden. Kan het nog barbaarser en slaafser?

Jazeker. Denken we maar aan de “christenen” die op 23 oktober 1988 de Parijse cinema L’Espace Saint-Michel in brand staken als protest tegen “The Last Temptation of Christ” van de Italiaans-Amerikaanse regisseur Martin Scorcese. De aanslag gebeurde niet in een lege zaal. Er vielen 14 gewonden waaronder vier zwaar gewonden. Voor het leven verminkte mensen. Dezelfde “christelijke” groep pleegde nog aanslagen op de Gaumont Opera alsook in Besançon. Nog een andere aanslag van de groep veroorzaakte de dood van een toeschouwer. (Bron: Wikipedia) Dat uiteraard allemaal om te bewijzen dat Christus liefde is.

Misschien denkt u nu ook: merkwaardig hoe moslim- en christelijke extremisten zich van het zelfde brandstichting-wapen bedienen als extreem-rechts (zie de aanslagen tegen de King Kong en Pour). “Les extrèmes se touchent” ? “Daar waar ze toch elkaars zelfverklaarde vijanden zijn ? Dat geldt inderdaad voor Europees extreem-rechts en de islam. Maar anderzijds staat extreem-rechts wel overal aan de kant van hun ‘nationale godsdienst’ ; bij ons (en bv. ook in het Zuid-Amerika van de dictators zoals Pinochet) aan de kant van de katholieken, in Turkije bv. aan de kant van de islam enz. En het werkt ook in omgekeerde richting. Zo riep bv. de invloedrijke en meestal voor dialoog pleitende in de V.S. wonende Turkse imam Fethullah Gülen begin november radikaal op tot geweld tegen de Koerden. Via zijn website “herkul.org” verspreidde hij een toespraak over de Koerdische PKK, die hij besloot met het volgende “gebed”: ‘Zij die afstraffing verdienen. God, voer hen naar chaos, beëindig hun vrede. Steek hun huizen in brand en laat hen jammerend achter. Snijd hen bij de wortels af en laat hen verdwijnen. Vervul de opdracht.”

Hoe de godsdienstige horror beperken?

Verbieden dan maar al die godsdienstige horror ? Een weinig haalbare kaart. En het kan bovendien erg contraproductief werken.

Zit er iets anders op dan ons te blijven inzetten voor meer en beter onderwijs met daarin verwerkt het kennismaken door kinderen van jongsaf met alle vormen van religies en godsdiensten, zodat ze de claim van elke godsdienst van de enige ware te zijn, van jongsaf kritisch leren doorprikken.

Wat ook kan helpen is godenvrije alternatieven aan te reiken, religies zonder god maar met veel aandacht voor de aarde en al haar bewoners: de ‘Indiaanse’ Pacha Mama-religie, bij ons de bomencultussen van de druiden, de wijsheden van boeddhisme en taoïsme enz.

En uiteraard is het ook nodig om sociaal-economisch welzijn voor iedereen na te streven, want niets doet mensen zo vaak in extremistische godsdienstvormen vluchten als sociale uitsluting.

Verder past in plaats van al te veel ergernis, eerder compassie – medeleven – met al die mensen die zich laten wijsmaken hebben dat er een goddelijk ‘iemand’ zou bestaan waar ze heel hun leven rekening moeten mee houden. Bij de moslims houdt dat bv. ook in dat veel vrouwen hun hoofd altijd moeten inkapselen..

Wie zijn godsdienstig geïndoctrineerde medemens een beetje lief heeft, zal moeite doen om die medemens zich uit zijn mentale gevangenis te helpen bevrijden. Christenen spreken soms over “bevrijdingstheologie” maar dat is een contradictio in terminis. De echt bevrijde mens gelooft niet in superwezens maar neemt vrede met het korte leventje dat ons hier op Planeet Aarde te beurt valt en waar we samen het beste moeten van maken in plaats van ons tegen elkaar te laten opjutten door godsdienstige ‘leiders’.

Jan-Pieter Everaerts

Nawoord: de reacties op de brandstichting: kop in zand of zelfs vergoelijken

Een eerste iets wat opviel in de dagen na de brandstichting, was hoe “progressief” België haast blind bleef voor de brand in Parijs. Zou dat hetzelfde geweest zijn mocht er in Parijs bv. een moskee door fundamentalistische christenen zijn in brand gestoken ?

Nu was het op zondag 6 november tevergeefs zoeken naar een bericht over de brand op websites zoals die van de Indymedia’s (Antwerpen, Gent, Bruxelles), op die van Groen en Ecolo, op De Wereld Morgen, PVDA/Solidair, Vonk, Linkse Socialist, LEF, Kif Kif enzoverder. Niets te vinden over Charlie Hebdo ook op de webstek van de Vlaamse beroepsjournalisten VVJ. Alleen op de webstek van de Franstalige beroepsjournalisten van België was er een stukje met als titel: “Charlie Hebdo: locaux incendiés et site web piraté.”

Kijkt ‘progressief’ België de andere kant op omdat het zijn uit moslimlanden overgekomen kiezers niet voor het hoofd wil stoten ? Moeten ‘progressieven’ niet zowiezo altijd en overal opkomen voor persvrijheid en vrijheid van meningsuiting ?

In Parijs was er op zondag 6 november wel een manifestatie uit solidariteit met Charlie Hebdo. Verenigingen allerlei (waaronder de strijdbare vrouwenvereniging ‘Ni Putes, Ni Soumises”), politieke partijen, vakbonden en anderen kwamen hun steun betuigen aan één van de basispeilers van de democratische rechtsstaat: de vrijheid van meningsuiting.

Op de webstek van Ni Putes, Ni Soumises, kan men lezen dat de brandstichting een zoveelste uiting is van toenemend religieus extremisme in Frankrijk, ook van katholieke kant overigens. Het viel in de reacties in de Franse pers vanuit islamitische en katholieke hoek overigens op hoe men zich wel kantte tegen de brandstichting zelf, maar anderzijds ook het karikatureren van Mohammed en Christus onaanvaardbaar blijft achten en het blijft zien als een gebrek aan respect, een respect dat ook kunstenaars zouden moeten opbrengen.





Het debat over het debat

9 04 2010

Op 31 maart werd op de campus van de Universiteit Antwerpen een lezing verstoord van auteur Benno Barnard. De lezing droeg als titel “Leve God, weg met Allah” en werd georganiseerd door de Vrijzinnige Dienst van de U.A. Onmiddellijk na het incident brak een storm van reacties los en over die reacties willen we het hier even hebben.

De eerste reactie die we u voorschotelen is er één van onze voorzitter, Prof. Rik Pinxten. Hij verdedigt in de traditie van Voltaire de vrije meningsuiting, ook voor hem waar hij het niet overal mee oneens is (in dit geval Benno Barnard).

We publiceren in deze Humanieuws ook graag het opiniestuk “Dialoog der beschavingen? Word wakker!’ van Mia Doornaert (artikel 2). Niet omdat Mia nu onze grote vriendin of vijand zou zijn, maar wel omdat het artikel goed illustreert op welke moeilijke lijn we balanceren. Doornaert bekritiseert volkomen terecht de vrijblijvende interculturele praatjes die her en der worden georganiseerd, maar ze reduceert de ‘dialoog der beschavingen’ onterecht tot de fatwa tegen Salman Rushdie, de moord op Theo Van Gogh en de rel met de moslimcartoons. Alsof er geen positieve tegenvoorbeelden bestaan van een ‘botsing der beschavingen’. Doornaert stelt wel terecht dat tolerantie geen dooddoener mag zijn om intolerantie te dulden en ze haalt enkele pertinente voorbeelden aan.

Uit de reacties die we ontvingen op onze steunbetuiging aan de Vrijzinnige Dienst van de U.A., waren er ook enkele die HVV in het vakje van het Vlaams Belang wilden stoppen. U kent het systeem: een organisatie uit kritiek op bepaalde strekkingen binnen de islam en dat volstaat voor sommigen om die organisatie van extreem-rechtse sympathieën te beschuldigen. Intellectueel niet correct, maar toch hardnekkig. In deze categorie past de vraag van Walter Pauli aan Geert Van Istendael en Dirk Verhofstadt: ‘Zeg eens, vinden jullie Dewinter ook een profeet? Erkennen jullie ook dat hij als eerste de juiste weg wees? Wel? Of eerlijk niet?’. Het vingertje van de kijvende oma mag u er zelf bij verzinnen. Ongetwijfeld goed bedoeld en ingegeven door een oprechte hartstocht voor de democratie, maar in het vuur van de hartstocht kan men zich al eens vergalopperen. Van Istendael en Verhofstadt wagen zich aan de intellectuele arbeid om bepaalde mistoestanden binnen bepaalde strekkingen binnen de islam te fileren en daarom moeten ze zich verantwoorden en vrijpleiten van adoratie voor Filip Dewinter. Het getuigt van een bijna mythisch respect voor dialoog dat ze het toch gedaan hebben. Ook deze briefwisseling nemen we op in deze Humanieuws (artikels drie en vier).

Tot slot brengen reserveren we, zoals het hoort, het laatste woord in deze Humanieuws voor de rector van de Universiteit Antwerpen, Alain Verschoren (artikel 5). Hij hekelt de grove taal van Benno Barnard en wijst op een concreet initiatief van zijn universiteit – de opleiding ‘Verdieping in de islamitische godsdienst’ – om ook effectief iets te doén aan de problemen die er wel degelijk zijn. Deze opleiding is bedoeld voor islamleerkrachten in het secundair onderwijs en leert hen islam in de context van onze westerse maatschappij te onderwijzen, in een poging hen buiten de invloed van radicale, onwetenschappelijke en politieke varianten van de islam te houden.

Wanneer we het debat over het samenlevingsdebat aanschouwen, bekruipt ons toch een zeer onaangenaam gevoel. Zowel tijdens de uitwisseling van de argumenten, als achteraf, wanneer het stof gaat liggen, blijft een gevoel van onbehagen. Auteurs, opiniemakers, woordvoerders van maatschappelijk geëngageerde organisaties,… bestoken elkaar met vlijmscherpe opiniestukken. Soms op niveau, soms onder de gordel, maar toch altijd met dat ene doel voor ogen: het doen lukken van het samenleven. Eén groep blijft echter op de achtergrond, bijna afwezig zelfs, en dat is de groep van de traditionele politieke partijen. Zij spreken zich zo min mogelijk uit. Zij schermen hun flanken af, zoals dat heet in het jargon. Want er zijn veel kiezers te verliezen. Mia Doornaert is politiek actief, maar ze stelt zich voor als ‘onafhankelijk adviseur van de premier’. Over de politieke kleur van Dirk Verhofstadt hoeven we niet te gissen, maar hij schrijft in naam van de ‘onafhankelijke denktank Liberales’. Enkele prominente allochtone politici, zoals Meyrem Kaçar en Selahattin Koçak, spreken zich wel uit, maar toch lijkt het dat de ‘grote politiek’ geen stelling durft in te nemen. Een sprekend voorbeeld hiervan is het hoofddekselverbod in het GO!, waar het uiteindelijk het Grondwettelijk Hof – de rechterlijke macht – zal zijn die het parlement – de wetgevende macht – zal verplichten toch duidelijke keuzes. En dat is maar juist ook, daarvoor verkiezen we onze politici toch? Wat volgt is een hypothese, maar zou het niet kunnen dat het huidige samenlevingsdebat ontspoort en leidt tot onbehagen, doordat de kleintjes onderling ruzie maken waar de groten zich afzijdig houden? Waar de groten hun verantwoordelijkheid afschuiven? Zoals de verantwoordelijkheid over de hoofddeksels op school gemakkelijkheidshalve wordt afgeschoven op de ‘autonomie van de scholen’? Is het niet zo dat de extreme stemmen in een debat enkel maar aan bod kunnen komen omdat de gematigde stemmen zwijgen? Of schuiven we liever alles in de schoenen van de media, die weten dat verbale bokswedstrijden tussen Abu Imran en Benno Barnard commercieel geen windeieren leggen? Allemaal pertinente vragen, die aanzetten tot (zelf)reflectie. Wat wij zeker vragen, zijn politici die leiderschap tonen. Intellectuelen kunnen hun rol spelen en het debat voeren en voeden. Maar op een bepaald ogenblik moeten politici daar iets mee doen en keuzes maken. Moedige keuzes, die misschien niet populair zijn bij de achterban, maar die ons land wel redden van immobilisme en achteruitgang.

HVV zal alvast de rol blijven vervullen die ze vervult. Wij verdedigen het recht op vrije meningsuiting en hopen dat dit recht niet wordt uitgehold door goedkope kretologie. Wij verdedigen het recht op godsdienstkritiek en hopen dat dit recht niet wordt uitgehold door een gratuite associatie met godsdienstfobie of extreem-rechts.

Veel leesgenot!

Björn Siffer
Woordvoerder HVV


Artikel 1 – Democratie en godsdienst, Rik Pinxten
(Rik Pinxten is voorzitter van de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging)

Antwerpen : Benno Barnard spreekt en een groepje “radicale moslims” tracht hem dat te beletten. Democratie is de minst slechte bestuursvorm die de mens ooit ontwikkeld heeft, zei Winston Churchill, een eigenzinnige oorlogsminister. Toch had hij een punt: het kan lijken dat beslissingen en vooruitgang traag tot stand komen, maar wat er gebeurt is wel gedragen door een groot deel van de betrokkenen. Ook worden regelmatig correcties op terreur of machtsmisbruik mogelijk in een democratie. Het groepje moslims in Antwerpen heeft het dus duidelijk verkeerd voor en  moet het proces van democratie, van woord en wederwoord, in ons land respecteren. Of ze voor hun acties moeten vervolgd worden, laat ik aan de juridische specialisten. Als ze de wet overschreden hebben, dan moeten ze gestraft worden. Dat is ook democratie, want de wet is via de verkozen parlementsleden de uitdrukking van de afspraken van en voor het volk dat in dit land leeft. Als de wet niet goed bevonden wordt, dan kan ze via dezelfde parlementsleden veranderd worden. Zo gaat dat. Democratie is immers ook een moeilijke vorm van organisatie van de samenleving. Maar het is de beste, of de minst slechte.

De lezer merkt dat ik het niet heb over Benno Barnard (uiteraard: schiet niet op de boodschapper), en evenmin over zijn standpunten in verband met de Islam. Ik heb het genoegen gehad om samen met hem te publiceren over de islam in Europa en ik deel zijn standpunten meestal niet. Soms zal ik ze ook bekampen, omdat ik vind dat dergelijke standpunten niet tot een oplossing leiden, of vooringenomen zijn, of zelfs tot permanent conflict en vernedering in een samenleving kunnen leiden en daar ben ik hartsgrondig tegen. Dat alles is echter geen reden om hem het spreken te beletten. Zonder vrijheid om je gedachte te formuleren en in debat te gaan, bestaat democratie namelijk niet. De econoom en politieke denker A. Sen (Nobelprijs Economie in 1999 en belangrijke denker rond armoede en ontwikkeling) toont haarscherp hoe publiek debat de enige mogelijke weg is om democratie te vrijwaren. Elk fundamentalisme (van westerse of andere signatuur, van communistische of religieuze aard) heeft het lastig met dat kenmerk. Precies daarom moeten democratieën ook al het mogelijke doen om dat publieke debat open te houden en dat zal dus soms betekenen dat wie de basisregels van democratie overtreedt, moet gestraft worden.  Dat debat is trouwens moeilijker dan enkel maar spreekrecht: in een democratie streven we er immers naar om beslissingen zo te nemen dat een meerderheid  ook steeds de rechten van de minderheden kent en respecteert, terwijl de minderheden de aanvaarde voorstellen van de meerderheid als norm aanvaardt.

Als humanist ben ik er diep van overtuigd dat alle mensen gelijke rechten moeten hebben en die ook ten volle moeten kunnen opnemen. In dat perspectief ben ik het hoegenaamd niet eens met verschillende standpunten van Barnard en anderen in de huidige maatschappelijke debatten. Maar opnieuw is de oplossing dan niet om te elimineren, te verbieden of het zwijgen op te leggen: ik heb dan als plicht om in debat te gaan en de meningen die ik niet deel te proberen te weerleggen. Daarin zit een zeker vertrouwen in de mens of alleszins in de mensheid. In het verbod of in het verhinderen van een boodschap zit alleen maar wantrouwen, en een maatschappij die op wantrouwen gebouwd is, zal enkel leiden naar meer wantrouwen, meer onvrijheid en onmenselijkheid.

Wat is dan de oplossing? Hoe moeilijk ook, mensen moeten samen spreken. Barnard en de ‘radicale moslims’ moeten samen spreken. Ze moeten dat veel doen, want het is in het belang van een gezonde samenleving, waarin men door elkaar te kennen elkaar ook vertrouwt.


Artikel 2 – Dialoog der beschavingen? Word wakker!, Mia Doornaert

(Bron: De Standaard 06/04/10, p.18)  (Mia Doornaert is onafhankelijk adviseur van de premier)

Twintig jaar geleden stond iedereen achter Salman Rushdie, toen die een fatwa over zich heen kreeg, schrijft Mia Doornaert. Tegenwoordig vinden weldenkende mensen het normaal dat wie zich uitspreekt tegen de islam, bescherming moet krijgen.

Het geweld werkt, zoals blijkt uit de intellectuele capitulaties, uit de enorme zelfcensuur over de islam in onze landen en media.

‘Dialoog der beschavingen’, ‘Alliance of Cultures’. Mijn ogen werden al glazig als ik dat soort uitnodigingen in de post vond. Nu staat het vast, ze gaan alle recht in de prullenmand. Ten eerste dient ‘dialoog der beschavingen’ altijd als dekmantel voor één thema: het probleem van de islam met de moderniteit. Ten tweede hebben vrijblijvende discussies van zorgvuldig en evenwichtig uitgekozen panelleden die elkaar in luchtgekoelde conferentiecentra en dure hotels vertellen hoe goed alle beschavingen zijn, niets te maken met de echte dialoog der culturen.

De ‘dialoog der beschavingen’, die hebben we gezien met de fatwa tegen Salman Rushdie, met 9/11, met de moord op Theo Van Gogh, met het geweld dat doorheen de moslimwereld uitbrak om twaalf cartoons in een Deense krant die niemand daar ooit gezien had. En nu, gelukkig minder gewelddadig, met de manier waarop Benno Barnard het spreken verhinderd werd in een universiteit, die een plaats bij uitstek van free speech zou moeten zijn.

Dat het incident zoveel verontwaardiging uitlokt, is geruststellend. Het is inderdaad ver gekomen als je politiebescherming nodig hebt wegens een grapje over godsdienst. Maar er zullen wel vele weldenkenden opstaan om Barnard ‘provocatie’ te verwijten. Om hem in een debat te willen stoppen met een BM (Bekende Moslim) en aldus aan te geven dat hij zich ook moet verantwoorden en dat het gelijk ergens ‘in het midden’ ligt. Of om te suggereren dat hij het zelf gezocht heeft want – een uitdrukking die in Nederland ook vaak gehoord wordt – ‘je speelt niet met lucifers in de buurt van een vuurwerkfabriek’. Anders gezegd, je mag vredelievende lieden om de oren meppen, maar je moet mensen die geweld gebruiken ontzien – wat geen tolerantie is maar appeasement. Die verlichte opvatting gaat ook nog voorbij aan de vraag wie al dat vuurwerk opgestapeld heeft.

Natuurlijk weet iedereen wel dat niet alle moslims fundamentalisten zijn. Maar het is wel zo dat degenen die zich in onze landen agressief keren tegen democratische verworvenheden als scheiding tussen religie en staat, of vrije meningsuiting of gelijkberechtiging van vrouwen, meestal moslims zijn.

Het is nog altijd gewaagd dat te zeggen, zeker in de kringen die, met geld van de belastingbetaler dat via de VN, de Unesco, de Europese Unie en talloze andere subsidies wordt uitgestrooid, in hun ‘dialoog der beschavingen’ de islam steevast vergoelijken. De islam is wezenlijk tolerant, hij wordt alleen politiek misbruikt. Als je durft te vragen waarom die tolerante godsdienst nog geen enkele volledig moderne en democratische staat heeft voortgebracht, dan is dat vloeken in de kerk. Integendeel, de westerling hoort de hand in eigen boezem te steken. Wie zijn wij wel andere beschavingen een gebrek aan tolerantie te verwijten, we zijn toch zelf niet perfect? En zo laten westerse landen die stromen migranten opvangen en hen ongehinderd volgens hun overtuiging laten leven, zich op VN-conferenties de les lezen over ‘islamofobie’ door landen die geen zweem van gewetensvrijheid toestaan, die ‘overspelige’ vrouwen stenigen en homoseksuelen ophangen.

De sluipende intellectuele capitulatie is al lang aan de gang, en ze is meetbaar. Toen de ayatollah Khomeini in 1989 zijn doodvonnis tegen Salman Rushdie uitsprak wegens diens Duivelsverzen, schaarde zowat de hele westerse intelligentsia zich achter Rushdie en het vrije woord. Toen eind 2005 in een groot deel van de moslimwereld geweld uitbrak wegens cartoons in een Deense krant die niemand daar ooit gezien had, was het vrije woord verdacht geworden. Jyllands Posten en premier Rasmussen kregen de schuld. Ze hadden het ‘gezocht’, aldus vele progressieve intellectuelen, de eerste door te publiceren, de tweede door niet door het stof te kruipen voor boze imams.
Een andere dooddoener is dat er geen probleem is met de islam, wel met armoede en uitsluiting. Tja. Opeenvolgende golven migranten – uitgeschudde Armeniërs die de volkerenmoord overleefden, doodarme Italianen en Portugezen, haveloze Joden uit Centraal- en Oost-Europa – hebben in onze landen zwarte armoede gekend, en veel meer racisme en uitsluiting ondervonden dat de huidige migranten in onze zachte multiculturele maatschappijen. Ze pleegden geen geweld en eisten niet dat hun nieuwe land zich aan hen aanpaste.

Het geweld – en wat Benno Barnard overkwam, wás geweld – komt voort uit een radicale, intolerante wereldvisie. En het werkt, jammer genoeg, zoals blijkt uit de intellectuele capitulaties, uit de enorme zelfcensuur over de islam in onze landen en media. De lieden die in hun ivoren torens de ‘dialoog der culturen’ voeren, moeten eindelijk eens wakker worden. De werkelijkheid speelt zich elders af, en is gevaarlijk voor onze onvermijdelijk onvolmaakte maar zo kostbare systemen van vrijheid.

Dit opiniestuk vormt het uitgangspunt voor een debat rond ‘vrijheid van meningsuiting en godsdienst’ tijdens het Feest van de Filosofie op zaterdag 17 april 2010 in Leuven .
http://www.feestvandefilosofie.be.


Artikel 3 – Avonturen van een dichter en zijn profeet, Walter Pauli
(Bron: De Morgen 03/04/10, p. 17)

Bij de recente peilingen – die niemand gelooft, maar waarmee iedereen rekening houdt – ging alle aandacht uit naar het succes van Bart De Wever en zijn N-VA. Dat was redelijk geinig voor het Vlaams Belang, want die partij ging ook vooruit. Maar niemand spreekt erover. In La Libre Belgique bezette het VB al een mooie derde plaats. Die trend werd trouwens bevestigd in de peiling van De Standaard en VRT: van 12,8 naar 14 procent. Dat is nog lang niet wat het ooit was, maar het is vooruitgang.

Het spoort nochtans niet met de beproefde Wetstraatuitleg. Volgens die leer verliest elke partij die intern verdeeld is en openlijk ruzie maakt. Juist wat het VB overkwam. Frank Vanhecke en Marie-Rose Morel lieten geen kans onbenut om de clan-Dewinter te hekelen. En toch gaat het VB vooruit. Of minstens: men realiseert een zekere remonte, pakt in peilingen een virtueel stukje terug wat in verkiezingen feitelijk verloren ging.

Er bestaat wellicht een uitleg voor. Het VB groeit noch daalt namelijk door wat die partij in de Wetstraat doet, of zelfs door wat hun figuren kakelen op de zogenaamd ‘politieke’ pagina’s van de kranten. Het VB werd niet groot in de Wetstraat, maar ondanks de Wetstraat. Het zal ook niet vallen of krimpen in de Wetstraat, maar op straat. Dat die partij dat níét doet, doet vermoeden dat de maatschappelijke voedingsbodem waaruit het VB groeide er nog altijd is.
Deze regeringsperiode is al meer omschreven als een nieuw ‘malgoverno’ – een verwijziging naar de ‘slechte’ regeringen van de late jaren zeventig, vroegste jaren tachtig. Dat waren regeringen die net als nu voortdurend in naam bezig waren met begroting, sociaaleconomische sectoren in moeilijkheden (toen staal en steenkool, vandaag banken en autoassemblage), en net als nu voortdurend verlamd werden door communautaire disputen. En die net als nu te weinig oog hadden voor veel diepere samenlevingsproblemen.

De Kamer kan tegenwerpen: ‘Hoho, wij keurden toch een boerkaverbod goed? Zelfs als eerste land in Europa.’ Als het boerkaverbod voor iets goed is: dat het eindelijk een onderscheid maakt tussen de inderdaad hoogst verwerpelijke boerka en gewone hoofddoeken. Die wet zou zelfs uitgebreid moeten worden: een algemene regeling voor de publieke ruimte. Neen tegen boerka’s en eventuele tegenhangers bij andere godsdiensten. Dus ja tegen kruisjes en kleine hoofddoeken. En waarom voor de georganiseerde vrijzinnigen ook geen kleine humanistische kledij? Een korte broek, een minirok?

Helaas leidt in de praktijk het in de commissie goedgekeurde boerkaverbod niet tot een meer tolerant discours, wat toch de bedoeling van de wetgever is. Media brengen vooral ‘nieuws’ dat haaks staat op de vreedzame en kabbelende dagelijkse actualiteit in onze steden en dorpen. Of was het ‘nieuws’ dat een paar jongeren met een Palestijnensjaal om hun hoofd in Antwerpen een lezing onderbraken van Benno Barnard – een ‘niet onverdienstelijk’ dichter, naar verluidt? Onbeleefd was het in elk geval. Politiek verstandig was het zeker niet. Het was ook niet tolerant. Maar was hun infantiel getier een bedreiging van het Vrije Woord?

Even de band terugspoelen. Naar Leuven, jaren tachtig. Een paar keer per maand werd een spreekbeurt door boegeroep onderbroken. Roepers droegen hun Palestijnensjaal niet op het hoofd maar om hun nek, riepen niet ‘vuile Hollander’ maar ‘fascist’. Ze belegerden Benno Barnard niet, maar de proapartheidssprekers die Protea uitnodigde, en natuurlijk Filip Dewinter. Die was zelfs een verkozen parlementslid. Maar wat zij deden, werd door de samenleving gedoogd. Meer nog, er was zelfs enige sympathie voor dat protest, ook op de openbare omroep, toen die nog niet VRT maar gewoon BRT heette.

Ze hadden zelfs een uitgewerkte argumentatie voor hun slogan ‘Geen spreekrecht voor fascisten’. Namelijk: je discussieert alleen met mensen van wie je aanneemt, zij het theoretisch, dat je in een tegensprekelijk debat door hen overtuigd wilt worden. Dus je verhindert geen debat met liberalen, christendemocraten, humanisten, anarchisten, marxisten, antroposofen of wie ook. Wel een met fascisten en racisten. Vandaar die felle maar niet onzinnige slogan (vraag het Mandela maar, of Obama): “Racisme is geen mening, maar een misdaad.”

In die zin is het niet eens onlogisch dat de boze moslims een soortelijke redenering ontwikkelden. Ze kunnen moeilijk op vrijmoedige wijze dialogeren met iemand die hun godsdienst het recht ontzegt om ‘te zijn’. Zeker niet als het gaat om jonge en heethoofdige moslims die aan een universiteit studeren. Die zijn namelijk varianten van de Eeuwige Student, een fenomeen dat al lang bestond voor Paul Goossens en de zijnen er in 1968 de vlam in zetten. Een vast kenmerk van geëngageerde studenten is juist dat ze jong en heethoofdig zijn. Een mens betreurt haast het makke bij de actuele generatie. Leve de studenten die bewogen blijven, maar op hun leeftijd nog geen maat kunnen houden. Dat leren ze later wel, door scha en schande.

Gelijk voor de wet
Er was en is trouwens een vlijtige extreem rechtse variant van die progressieve dadendrang. NSV en TAK waren zelfs professionele tegenbetogers, nooit te beroerd om een te linkse of te Belgische spreekbeurt of samenkomst in het honderd te sturen. Ook onsympathieke en perfide groeperingen hebben namelijk rechten. In die zin zitten NSV en TAK in dezelfde lade als ‘sharia4Belgium’ – zo heet de website/organisatie die tot het moslimprotest opriep: te mijden, die kerels.

En fel te bekampen, zeker als die moslims echt de sharia willen invoeren. Maar inmiddels hebben zij, net als VB’ers, het recht gebruik te maken van de publieke ruimte. Tot in de hoekjes ervan. Zoals TAK en NSV al jaren doen. Vormen ze ooit een privémilitie, zoals het VMO, dan moet die militante tak meteen buiten de wet gesteld. Roepen ze duidelijk op tot actieve discriminatie, tot geweld, dan mogen alle mogelijke wetten ingeroepen worden, en zijn eventueel politionele en gerechtelijke stappen gepast.

Maar verder: iedereen gelijk voor de wet. Ook in de meer ongelukkige uitdrukkingsvormen. En dat Annemie Turtelboom (Open Vld) toch niet de stelling huldigt, zoals ze donderdag zei in de Kamer, dat in dit land geen plaats is voor ‘radicalisme’. Dat is misschien een logisch antwoord voor iemand die als meisje al dweepte met het veilige midden. Maar mogen er nog andere, radicalere of meer idealistische jongeren zijn? Rechts of links, humanistisch, katholiek of islamiet?
Fundamenteel was, en is: dit land kent het recht van spreken en betogen. En ook: tolereert het gewoonterecht van het tegenspreken en tegenbetogen. Toen aartsbisschop Léonard vorige zondag mee opstapte in een betoging tegen de abortuswet, was er prompt een vrijzinnige tegengroep die ‘boe’ riep. Zo gaat dat hier. Dat gebruik dateert trouwens al uit de late negentiende eeuw, bij alle partijen: op socialistische meetings kwam een vermetel christendemocraat ‘tegenspreken’, en omgekeerd. Onuitgenodigd, natuurlijk, en daar was enige moed voor nodig want de ‘tegenspreker’ riskeerde een pak slaag. In die zin is er weinig veranderd tussen de tijd van de rellerige dichter Benno Barnard en die van de oude staatsman Jules Vanden Peereboom.

Wat veranderde, is dat een spreker die een half aulaatje liet vollopen in één klap Groot Nieuws werd. Dat hij op tv Slachtoffer mocht zijn. Zelden een slachtoffer zo tevreden gezien met zijn eigen leed. Hij zei dat ook met zo veel woorden: dit was het grootste geluk dat hem kon overkomen, de gewenste illustratie van zijn gelijk. Je zou hopen dat er uit het as rond Auschwitz ineens een échte jood zou aanwaaien, dat er uit een Argentijnse gracht ineens écht een journalist uit de dood zou opstaan die waarlijk gevaar had ondergaan toen hij zijn leven riskeerde voor het vrije woord. Het verschil zou snel duidelijk zijn, tussen een slachtoffer en deze poseur, intens zelfingenomen omdat hij met zijn provocaties het tv-scherm had gehaald.

Bekeerling
Nuance: Benno Barnard is geen poseur in wat hij verkondigt – provocatief, kwetsend, maar dat is zijn recht. Hij gelooft wat hij zegt, en zo hoort het. Hij is een poseur in de exploitatie van zijn vermeend leed. Een beetje spreker kan op tegen wat schreeuwers in het publiek. Beeld je in dat Hugo Claus bij elke katholiek die hem ooit lijfelijk beledigde, had gejankt om bescherming van de politie.

Intussen beschouwt Benno Barnard zich als slachtoffer van “de islam” en zelfs van “de moslims”. Maar dat is voor Benno Barnard en co. geen punt meer. Ineens komt het er in een interview uit: “Tegenwoordig vind ik dat Filip Dewinter een profeet is.” Zo staat het er: Dewinter is een profeet, anti-islamisme is de religie, en Benno Barnard zijn voorlezer. Een bekeerling, dus altijd radicaler, blinder en dwazer dan normale gelovigen. Waarbij Barnard, met zijn bekering (of tenminste met zijn outing als bekeerling, de echte ommekeer heeft zich wellicht al enige tijd terug voorgedaan), zijn vrienden en medestanders noopt zichzelf even uit te spreken. Zeg eens, Geert Van Istendael (niets mis dat je je vriend Benno in kwade dagen steunt, dat siert je zelfs), of Dirk Verhofstadt? Vinden jullie Dewinter ook een profeet? Erkennen jullie ook dat hij als eerste de juiste weg wees? Wel? Of eerlijk niet?

Maar het illustreert waarom die VB-cijfers in de peilingen absoluut niet fantaisistisch zijn: de visvijver van Filip Dewinter kronkelt tot einders waar God of Allah dat amper voor mogelijk hielden.


Artikel 4 – We kunnen niet langer zwijgen, Dirk Verhofstadt en Geert Van Istendael

(Bron: De Morgen 06/04/10, p. 15)  (Dirk Verhofstadt en Geert Van Istendael en zijn respectievelijk kernlid van de onafhankelijke denktank Liberales en voorzitter van PEN-Vlaanderen, de Vlaamse franchise van de vereniging die overal ter wereld het vrije woord verdedigt.)

‘Tegenwoordig vind ik dat Filip Dewinter een profeet is’, zei Benno Barnard in een kranteninterview na de boycot van zijn lezing in Antwerpen. Walter Pauli had daarop een vraag voor Geert van Istendael en Dirk Verhofstadt, die tegen de boycot door extremistische moslims het vrije woord verdedigden (DM 2/4): ‘Zeg eens, vinden jullie Dewinter ook een profeet?’ (DM 3/4) Geert van Istendael en Dirk Verhofstadt hebben een antwoord klaar.

Walter Pauli vraagt ons rechtstreeks of we Filip Dewinter ook een profeet vinden, zoals Benno Barnard het zei. We kunnen hem gerust stellen. Ons antwoord is volmondig “neen”. Sterker nog, in onze boeken en opiniestukken hebben we extreem rechts steeds bestreden en zelfs duidelijk gemaakt dat extreem rechts en radicale moslims intrinsiek hetzelfde kwaad vertegenwoordigen en elkaar voortdurend voeden.

Vrijheid bedreigd
In onze geschriften en lezingen verzetten we ons voortdurend tegen het cultuurrelativisme én het monoculturalisme die beide de vrijheid van de mens bedreigen. Wij komen op voor een kosmopolitisch humanisme waarbij elke mens, autochtoon of allochtoon, man of vrouw, religieus of niet, gelijk behandeld wordt op de arbeidsmarkt, in de huisvesting, in het uitgaansleven en in andere maatschappelijke domeinen. Onze visie staat haaks op die van extreem rechts zoals het Vlaams Belang. Extreem rechts is niet geïnteresseerd in de gelijke behandeling van ieder mens, in de bestrijding van racisme en discriminatie, in het recht op zelfbeschikking. Voor hen telt het principe ‘eigen volk eerst’. Ze zijn niet uit op emancipatie, omdat in hun visie de vrijheid van de mens ondergeschikt is aan de belangen van de volksgemeenschap. Ze wijzen discriminatie niet af, maar maken een fundamenteel onderscheid tussen eigen volksgenoten en de anderen.

Verderfelijke types als Dewinter
Wat ons in de tekst van Walter Pauli zo stoort, is zijn zoveelste poging om de critici van onaanvaardbare praktijken binnen de radicale moslimwereld gelijk te schakelen met extreem rechts. Zodoende geeft hij zijn lezers de indruk dat wij op dezelfde lijn zouden staan met verderfelijke types zoals Dewinter. Hij zou nochtans moeten weten dat wij, samen met heel wat andere mensen die opkomen voor onze fundamentele grondwaarden, extreem rechts tot in het diepste van onze ziel verfoeien en bekampen. Maar zijn tactiek pakt niet meer. Pauli mag over ons schrijven wat hij wil en misstanden blijven ontkennen of bagatelliseren. Wij kunnen en zullen niet langer zwijgen wanneer we zien hoe extremisten onze rechten en vrijheden proberen te ondermijnen, hoe ze vrouwen onderdrukken, hoe ze homoseksuelen verketteren, hoe ze proberen hun barbaarse ideeën op te leggen en anderen verhinderen vrijuit te spreken aan een universiteit.

Wordt het niet de hoogste tijd dat Walter Pauli en anderen in vergelijkbare posities hun pen gebruiken om al die zogenaamd progressieve stemmen die nog steeds zwijgen als vermoord of, zoals de vertegenwoordigers van het Vrouwen Overleg Komitee en BOEH, zelfs ronduit collaboreren met radicale onderdrukkers, te wijzen op hun schuldig verzuim? Als Pauli, en met hem andere politieke commentatoren, dáárvoor hun pen niet gebruiken, waarvoor zouden ze hun pen dan wel gebruiken?

De essentie in dit debat is het volgende. We kunnen en mogen niet langer wegkijken voor het leed van de anderen. Door de toegenomen informatie via internet en televisie weten we wat er overal gaande is. We kunnen niet zeggen “wir haben es nicht gewusst”. Juist daarom kunnen en mogen we niet langer onverschillig zijn en hebben we de dure plicht om praktijken zoals het verhinderen van de vrijheid van meningsuiting, opgelegde kledij, gedwongen huwelijken, gewelddaden tegen homoseksuelen, genitale verminkingen, verstotingen en eremoorden die gebeuren in naam van God, Allah of wat dan ook, keihard te bestrijden.

In deze kwestie volgen we met overtuiging de uitspraak van Elie Wiesel bij zijn dankrede naar aanleiding van het in ontvangst nemen van de Nobelprijs voor de Vrede op 10 december 1986. Hij benadrukte toen de menselijke plicht om in geval van onrecht partij te kiezen tegen de onderdrukker: “We moeten partij kiezen. Neutraliteit is in het voordeel van de onderdrukker, nooit in het voordeel van het slachtoffer. Stilte moedigt de beul aan, nooit de gefolterde. Soms moeten we ingrijpen. Als menselijk leven in gevaar komt, als de menselijke waardigheid op het spel staat en nationale grenzen en gevoelens irrelevant worden. Overal waar mannen en vrouwen vanwege hun ras, religieuze of politieke overtuiging vervolgd worden, moet die plaats – op dat moment – het centrum van het universum worden.”

Wij kunnen en zullen niet langer zwijgen wanneer we zien hoe extremisten onze rechten en vrijheden proberen te ondermijnen, hoe ze vrouwen onderdrukken, hoe ze homoseksuelen verketteren, hoe ze proberen hun barbaarse ideeën op te leggen en anderen verhinderen vrijuit te spreken aan een universiteit.

Artikel 5 – Benno Barnards grote gelijk, Alain Verschoren
(Bron: De Standaard 06/04/10, p. 19)  (Alain Verschoren is rector van de Universiteit Antwerpen)

Beste Benno, waar heb jij je laten wijsmaken dat de UA terroristen en fundamentalisten kweekt?

Beste Benno,
‘Een vraagje aan Hippias’, zo luidde de titel van het opiniestuk (DS 3 april) waarin je nog eens flink en fier je mening hebt verkondigd. Nou ja, opiniestuk De grens tussen een polemische column en brutaal scheldproza blijkt bij jou soms flinterdun te zijn. Over je hybris en goede bedoelingen bestaat gelukkig geen twijfel: je waarschuwt weldenkend Vlaanderen voor een ‘apocalyptische scheiding der geesten’ en voor het ‘Kwaad’ dat volgens jou een Saudische hoofddoek draagt.

Met je smadelijke aanvallen aan mijn adres laat je weinig ruimte voor een hoffelijk debat, maar wellicht is dat eigen aan polemische columns, genre dat je met verve beoefent en dat tenslotte ook je broodwinning uitmaakt. Wat me echter wél stoort, is je ongeloofwaardige karikatuur van het actief pluralisme aan de Universiteit Antwerpen. Van een toch niet onintelligent man als jij had ik meer en beter verwacht. Niet gehinderd door enige kennis van zaken ga je wild tekeer, maar de intellectuele inspanning om verder te komen dan enkele populistische clichés en wat leuke citaten wil of kun je blijkbaar niet opbrengen.

De Universiteit Antwerpen is, en als rector schrijf ik dit met trots en overtuiging, inderdaad een actief pluralistische universiteit. In de Antwerpse en Vlaamse realiteit van vandaag, maken we daarmee geen gemakkelijke, maar wel een noodzakelijke keuze. Actief pluralisme staat geenszins gelijk met vrijblijvend multiculturalisme, maar wil integendeel de mogelijkheden van dialoog, kritische reflectie en herbronning exploreren. Actief pluralisme is zelf geen levensbeschouwing, maar een houding ten aanzien van (de eigen en andere) levensbeschouwingen. Het insisteert op een inhoudelijke dialoog binnen en tussen levensbeschouwingen en op een concreet engagement dat levensbeschouwingen als overtuiging én praktijk ernstig wil nemen. Natuurlijk is een actief pluralistische houding kwetsbaar: vanuit die houding wil men immers spreken met (en dus niet schreeuwen tegen) elkaar en niet over elkaar, de wederzijdse clichés doorprikken en pogen zich in de ander in te leven en zo te verstaan. Dit is een proces van vallen en opstaan, maar het lijkt ons de boeiendste weg om op termijn een samenleving te creëren, waarin – ondanks en dankzij de verschillen – wederzijds respect en verbondenheid geen dode letter zijn.

In Vlaanderen – en zeker in Antwerpen – is de aanwezigheid van uiteenlopende levensbeschouwingen niet meer weg te denken. Naïviteit voor de risico’s daarvan, en in het bijzonder het negeren van het gevaar van extremisme en fundamentalisme, zou misplaatst zijn, ook en vooral in academische middens. Maar als samenleving kunnen wij van die diversiteit ook sterker worden. Maar dat vergt dialoog en het engagement om verder te kijken dan het geroep aan de oppervlakte. Net daarom integreert de Universiteit Antwerpen het actief pluralisme in onderwijs en onderzoek. Al onze studenten volgen een vak levensbeschouwing dat hen kritisch laat kennismaken met de diversiteit aan levensbeschouwelijke en filosofische stromingen. Wij hebben een pastorale dienst en een vrijzinnige dienst, wij hebben toonaangevende instituten en centra zoals het Instituut voor Joodse Studies en het Centrum voor Migratie en Interculturele Studies en werken onder meer nauw samen met UCSIA, dat de universitaire jezuïtische traditie bewaart.
De Universiteit Antwerpen kiest onverkort voor wederzijds respect, dialoog en studie van levensbeschouwingen op academisch hoog niveau. Nog een goed voorbeeld hiervan is de opleiding ‘Verdieping in de islamitische godsdienst’, waar jij zo graag de spot mee drijft. En waar heb je je laten wijsmaken dat we er terroristen en fundamentalisten kweken, jij die toch het imago had van een kritisch en gedocumenteerd denker? De opleiding, die overigens wordt gefinancierd door de Vlaamse overheid, is net bedoeld om islamleerkrachten in het secundair onderwijs een verdieping op academisch niveau te bezorgen over de islam in de context van onze westerse maatschappij en zo de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen over de islam te verhogen. Zo wordt vermeden dat radicale buitenlandse groepen in Vlaanderen varianten van de islam zouden kunnen propageren in een onwetenschappelijk en politiek islamitisch opleidingsaanbod. Want dat wil toch niemand?

Ach, Benno Het zou je sieren mocht je de intellectuele inspanning willen doen om verder te kijken dan je Eigen Grote Gelijk. Voor de Universiteit Antwerpen is dat een dagelijks engagement, dat uiteraard veel meer tijd, moeite en inspanning vergt dan goedkoop populisme. Ik ben er trots op dat er voor dit laatste aan onze Universiteit geen plaats is.





Erasmus

9 02 2010

Desiderius Erasmus van Rotterdam, de prins der humanisten, wordt in de bloemetjes gezet. In 2011 zal het 500 jaar geleden zijn dat Erasmus’ meest gelezen boek, Lof der Zotheid, van de drukpersen rolde. HVV is deze verjaardag alvast beginnen herdenken met de essaywedstrijd ‘Draait de wereld door?’, en er zullen ongetwijfeld nog verschillende activiteiten en feesten volgen in Vlaanderen en Nederland.

Maar Erasmus wordt lang niet door alle hedendaagse vrijzinnig humanisten op de schouders gehesen. Bij onze noorderburen is er intussen al een stevige discussie omtrent de figuur van Erasmus aan de gang. Was Erasmus niet te katholiek om als vrijdenker te kunnen worden binnengehaald? Was hij trouwens wel een humanist in de tegenwoordig gebruikte zin van het woord? Ook bij Erasmus’ veel geprezen pacifisme en tolerantie worden vraagtekens geplaatst; zo zou hij hebben opgeroepen tot een oorlog tegen de Turken, en een fervent Jodenhater zijn geweest.

Erasmus lijkt zo iemand te zijn die heel zwart-witte reacties oproept. Tussen alle bewierokingen en beschuldigingen in wordt het moeilijk om objectief te zien wie Erasmus nu werkelijk was. Zou HVV er beter aan doen niet al te hoog met Erasmus op te lopen? Dit is in elk geval de boodschap van Fred Neerhof in het Nederlandse maandblad De Vrijdenker (dec 09 – jan 10): “Juist seculiere belanghebbenden zouden ruiterlijk hun misrekening moeten erkennen en Erasmus niet langer als een humanistisch icoon moeten blijven zien. Zijn uitgesproken anti-joodse gezindheid zal hierbij vast een handje helpen.” Laten we niet te hard van stapel lopen, en eens een aantal argumenten op een rijtje zetten.

Erasmus was zonder enige twijfel een gelovig man. Zijn laatste woorden waren volgens de overlevering lieve god. Hij was wel een eigenzinnig en kritisch christen, die ijverde voor een verinnerlijkte, persoonlijke geloofsbeleving, zonder poespas, instituten, tussenpersonen, rituelen en uiterlijk vertoon. Een visie die aanvankelijk wel leek te sporen met die van de grote hervormer, Maarten Luther. Maar door heel consequent zijn eigen weg te gaan, slaagde Erasmus erin zowel katholieken als hervormingsgezinden van zich te vervreemden. Luther noemde hem een adder, een leugenaar, en de mond en het werktuig van Satan. En na Erasmus’ dood werden al zijn werken op de katholieke index van verboden boeken geplaatst. Zijn terughoudendheid werd en wordt nog steeds door velen beschouwd als lafheid en opportunisme. Zelf had hij er dit over te zeggen: “Ik ben een liefhebber van de vrijheid. Ik wil en kan geen partij dienen.”

Wat Erasmus’ humanisme betreft, dat mag zeker niet op de hedendaagse manier begrepen worden als het centraal stellen van de mens in plaats van god. Het humanisme van de zestiende eeuw was een stroming die, geheel in de geest van de renaissance, ijverde voor culturele vernieuwing, en zich daartoe baseerde op de literatuur van de Grieks-Romeinse oudheid. Een humanist was dus in de eerste plaats een taalgeleerde.

Is het nu waar dat Erasmus’ tolerantie en pacifisme zich beperkte tot geletterde medechristenen, zoals onder andere Fred Neerhof in het daarstraks al aangehaalde essay beweert? En dat hij opriep tot het uitsluiten van joden, en het uitmoorden van de Turkse horden? Het klopt dat Erasmus de Europese vorsten opriep om Europa te verdedigen tegen het Turkse oorlogsgeweld (bedenk dat de Turkse legers in 1529 voor de poorten van Wenen stonden). Maar hij riep op tot een verdedigings- en niet tot een aanvalsoorlog. Hij was pacifist, maar niet tot in het absurde.

Erasmus heeft inderdaad een aantal felle uitvallen naar de joden op zijn naam staan. Maar zijn kritiek betrof steeds het joodse geloof (net omdat hij niet hield van uiterlijk vertoon in religie), en nooit joodse mensen. Joden buiten de wet plaatsen en hun bezittingen in beslag nemen, iets waar Luther achterstond, zou Erasmus nooit hebben kunnen aanvaarden…
Erasmus zal de controverse wel nooit helemaal van zich kunnen afschudden. Zijn eigen, soms erg giftige schrijfsels zijn daar zeker niet vreemd aan. Maar bedenk dat Erasmus vaak satirisch te werk ging, en dat veel van zijn uitlatingen een dubbele bodem hebben. Bekijk even het volgende citaat uit de inleiding van Lof der Zotheid: “Maar mocht men mij beschuldigen van bijtende spot, dan antwoord ik: intelligente mensen hebben altijd de vrijheid gehad om straffeloos een humoristisch commentaar te geven op het leven van alledag, als die vrijheid maar niet de perken te buiten gaat. […] Maar als iemand zo kritiek uitoefent op het leven der mensen dat hij niemand persoonlijk raakt, kwetst hij dan de mensen, zo vraag ik, of is het niet meer zo dat hij hun iets leert en hen waarschuwt?”

We nodigen u uit om vooral zelf uw mening over Erasmus te vormen. Maar lees dan goed, en lees vooral zijn eigen werken. Denk aan het oude humanistische motto: “Ad fontes” (naar de bronnen).
Niet “Ad Wikipedia”…

Marijn Van Dyck, educatief medewerker HVV





Media over de eigen mediaproducten: incestueuze berichtgeving?

5 03 2009

Goed nieuws is geen nieuws… Behalve over jezelf
Er zijn drie soorten leugens: lies, damned lies en statistics. Het is een eeuwenoude boutade die nog niets van haar pluimen verloren heeft. Want als we de statistieken moeten geloven, boekt elke krant kwartaal na kwartaal en jaar na jaar vooruitgang en bereiken de Vlaamse kranten steeds meer en jongere lezers én vervrouwelijkt hun publiek. Relevante informatie of zuivere reclame, de kranten vullen er gewillig hun pagina’s mee. “Ik stoor me vooral aan het gebrek aan continuïteit. Ook als het minder goed gaat, moet je cijfers geven”, vindt Pol Deltour.

“Er dringt zich een strikte scheiding op tussen de berichtgeving enerzijds en reclame, promotie en merchandising anderzijds.” Zo reageerde de Vlaamse Vereniging voor Journalisten eind 2007, toen Corelio-hoofdredacteur Peter Vandermeersch verkozen werd tot ‘Marketeer van het Jaar’. De marketingafdeling op een andere verdieping, in een andere vleugel of toch minstens achter een fysieke scheidingsmuur, dat is wellicht wat de meeste mensen zich dan voorstellen bij zo’n “strikte scheiding”.

Maar zo’n scheidingsmuur houdt lang niet alles tegen. Want wat als de marketingdienst niet nodig is om promotiecampagnes op touw te zetten? Wat als redacteurs het zelf kunnen doen? En wat als de CIM-cijfers daar op regelmatige tijdstippen een ideale gelegenheid toe bieden?

Eén keer per jaar maakt het Centrum voor Informatie over de Media (CIM) de bereikcijfers van de pers bekend. Daaruit blijkt hoe vaak elke krant gelezen wordt en hoe de gemiddelde lezer van elke krant eruit ziet. Jong of oud? Man of vrouw? Hoog opgeleid of niet?

Veel doet het CIM echter niet met die cijfers. De vzw, die de reclameagentschappen, de media en de adverteerders samenbrengt, beperkt zich immers tot het uitvoeren van de survey, het verwerken van de resultaten en het beschikbaar stellen van de cijfers. De interpretatie van die cijfers laat ze over aan adverteerders, bestuurslui uit de mediasector en journalisten. En dat leidt al eens tot uiteenlopende artikels en krantenkoppen. Terwijl De Tijd in 2007 bijvoorbeeld “Kranten verliezen lezers” kopte, pronkte in De Morgen “Kranten zijn in topvorm” boven een artikel over dezelfde cijfers.

VERLEIDINGSSPEL
Bij het CIM tilt men echter niet zwaar aan die uiteenlopende interpretaties. “We spreken daar eigenlijk nauwelijks over, alleen als er echt manifeste fouten gepubliceerd worden”, zegt Stef Peeters, algemeen directeur van het CIM. “Meestal gaat het maar om een selectieve lezing van de cijfers en – eerlijk gezegd – daar dienen die cijfers ook voor. Het zijn instrumenten in het spel van verleiding en onderhandeling in de advertentiewereld. De bron is betrouwbaar en de leden van het CIM mogen die cijfers volgens eigen inzicht gebruiken. De markt corrigeert zelf wel de misbruiken of het ongeloofwaardig gebruik van cijfers.”

Volgens Pol Deltour, nationaal secretaris van de Vlaamse Vereniging van Journalisten, is zo’n gekleurde berichtgeving een oud zeer. Deltour volgt de redenering van Peeters niet. “Ik vind dat het CIM zijn opdrachtgevers te veel naar de mond praat. De vereniging redeneert te commercieel en heeft de neiging de eenzijdige berichtgeving te relativeren. Ik vind het normaal dat uitgevers die cijfers gebruiken in hun onderhandelingen met adverteerders. Maar moet dat via de krant gebeuren, met de lezer als getuige? De hoofdredacteurs hebben de taak zo objectief mogelijk te berichten over een bepaalde situatie.”

Het CIM zelf voelt zich echter niet geroepen om over die objectiviteit te waken door zelf de cijfers toe te lichten en te analyseren. “De rol van het CIM is inderdaad vrij beperkt”, bevestigt Stef Peeters. De website van de vereniging omschrijft het als volgt: “Het CIM stelt zich tot doel zijn leden op permanente en regelmatige basis binnen de kortst mogelijke termijn nauwkeurige en betrouwbare gegevens te leveren die noodzakelijk zijn voor de objectieve weergave en de optimalisering van de reclamebestedingen in België.” Peeters vult aan: “In overleg met alle spelers op de publiciteitsmarkt stellen wij alles in het werk om betrouwbare cijfers te leveren over bereik en bestedingen. Onze leden zijn best in staat om zelf hun (langetermijn)analyses te maken. Het CIM ziet erop toe dat er geen manifest misbruik wordt gemaakt van de cijfers, maar daar houdt het op.”

CHAMPAGNE EN ARTIKELS
Op “manifest misbruik” van de cijfers konden we de Vlaamse kranten de voorbije zes jaar niet betrappen. Maar dat de berichtgeving omtrent de CIM-cijfers regelmatig bijgekleurd wordt, valt moeilijk te ontkennen. Dat blijkt uit een analyse van artikels die berichten over de bereikcijfers en die tussen 2002 en 2007 in de Vlaamse dagbladen verschenen zijn. Of een krant lezers gewonnen dan wel verloren heeft, vertaalt zich in de manier waarop de kranten uitpakken met die bereikcijfers.

Zo stellen we vast dat het aantal krantenartikels over de CIM-cijfers over de jaren heen parallel verloopt met de situatie op de Vlaamse krantenmarkt. Als de Vlaamse kranten erop vooruit gaan, neemt ook het aantal artikels toe. Dat aantal neemt af als de dagbladen rake klappen krijgen. Kranten besteden dus meer aandacht aan de CIM-cijfers als ze zelf goede resultaten kunnen voorleggen.

Andere cijfers bevestigen dat. Tussen 2002 en 2007 pakten acht kranten uit met twee of meer artikels over de CIM-cijfers. Zeven van die acht kranten hadden een succesvol jaar achter de rug. In 2007 was een groei van 4,1 procent voor De Morgen en een groei van 7,2 procent voor Het Belang van Limburg voldoende om er elk drie artikels aan te wijden. Het Laatste Nieuws spande echter de kroon in 2004. De krant haalde toen voor het eerst meer dan één miljoen lezers, en dat werd niet alleen gevierd met champagne, maar ook met vijf artikels over die CIM-cijfers.

Maar naast het aantal artikels blijkt ook de lengte en de plaats van de artikels samen te hangen met het resultaat van de krant. Van de 25 langste artikels verschenen maar vijf berichten in een krant die zijn lezersbereik zag dalen. En ook de voorpagina is in negen van de tien gevallen pas bereikbaar als de krant met mooie cijfers kan uitpakken. Bij positieve resultaten vinden we de helft van de artikels terug op de eerste twee pagina’s. Als de resultaten tegenvallen, moeten we de eerste tien pagina’s doorbladeren om 50 procent van de CIM-artikels te lezen.

Na een slecht jaar werd de berichtgeving soms zelfs naar de economiekatern verbannen. Op die manier krijgen veel minder lezers de slechte cijfers onder ogen. Bovendien kun je het nieuws vanuit een andere invalshoek bekijken. Toen De Standaard 5,7 procent achteruitging, belandde het CIM-artikel in 2007 op de economiepagina’s en zoomden de kop en de onderkop in op het bedrijfsnieuws: “Krantengroep Corelio nummer een in België. Corelio, de uitgever van onder meer De Standaard, blijft de grootste uitgever van het land”.

DEONTOLOGISCHE FOUTEN
Pol Deltour vindt het normaal dat verschillende kranten een ander verhaal brengen rond dezelfde cijfers. “Je kan niet verwachten dat kranten de CIM-cijfers letterlijk en integraal publiceren. Eigen klemtonen moeten kunnen.” Toch heeft Deltour een dubbel gevoel bij de CIM-bericht-geving. “Ze doen de waarheid nooit geweld aan, ze liegen niet en ze verdraaien geen cijfers. Maar de sfeer is uiteraard wel heel marketinggericht. Grote deontologische fouten kunnen we het niet noemen en er is ook nog nooit een formele klacht ingediend naar aanleiding van dergelijke berichtgeving. Maar gelukkig ben ik er niet mee.”

Wat Deltour vooral stoort, is het gebrek aan continuïteit. “Als je de CIM-cijfers geeft, erken je het belang van die resultaten en vind je dat de lezer recht heeft op die informatie. Maar dan moet je ze ook geven als het minder goed gaat met de krant.”

CIM-directeur Stef Peeters ziet minder graten in het feit dat de positieve resultaten uitvergroot worden en de minder goede cijfers op de achtergrond blijven. “Bovendien krijg je een vertekend beeld doordat enkel krantenartikels onderzocht werden. Voor ons en voor de professionele reclamemarkt is wat in de dagbladen verschijnt immers secundair. Veel belangrijker is wat gepresenteerd wordt op professionele symposia of wat gepubliceerd wordt in de professionele pers, zoals PUB en Media Marketing, en in de eigen uitgaven van media-agentschappen en reclameregies.”

De adverteerders en reclamebureaus zullen zich dus niet zo snel laten misleiden. Maar de doorsnee burger heeft geen abonnement op vakbladen en verkiest een dagje zee boven dergelijke symposia. Is het daarom geen goed idee om die cijfers door een externe instantie te laten beheren, een instantie die de cijfers niet enkel voor marketingdoeleinden gebruikt, maar ook de wetenschappelijke waarde ervan ten volle benut? “Daar valt heel veel voor te zeggen”, beaamt Pol Deltour. “Het CIM werkt voor opdrachtgevers die zelf voorwerp uitmaken van de CIM-onderzoeken. De cijfers zouden ook toevertrouwd kunnen worden aan een onafhankelijk observatorium voor de media, zoals de Vlaamse Regulator voor de Media.”

CREATIVITEIT
Maar tot het zover is, moet de lezer zich tevreden stellen met de informatie die kranten verschaffen. En daarbij kunnen niet alleen het aantal, de lengte en de plaatsing de misleidende indruk wekken dat het om correcte en relevante nieuwsfeiten gaat. Ook inhoudelijk worden tal van trucjes toegepast om een positieve boodschap over te brengen. Zo komt uit het onderzoek naar voren dat ook de keuze van de krantenkoppen in grote mate samenhangt met het resultaat van de bereikcijfers. Een goede prestatie wordt benadrukt door de naam van de krant in de titel op te nemen. Ook andere verwijzingen naar de eigen krant, zoals “Uw krant”, “Onze krant” en “De krant van één miljoen”, komen vaker voor als het dagblad mooie cijfers kan voorleggen. Daarnaast blijken ook absolute cijfers (“1.060.000 lezers”), percentages (“10 procent”) en rangtelwoorden (“de derde krant van Vlaanderen”) het goed te doen.

En zelfs of u zich momenteel, als schrijver van zo’n gekleurd CIM-artikel, geviseerd moet voelen, hangt samen met de prestaties van uw krant. Goede prestaties worden namelijk veel vaker anoniem gepubliceerd. Op die manier wil men duidelijk maken dat de goede cijfers aan de hele redactie te danken zijn. Óf alleen aan de hoofdredacteur, want ook die kruipt opvallend meer in zijn pen als de krant een goed resultaat geboekt heeft. En vallen de CIM-resultaten tegen, dan is het vooral een uitdaging om dat zo goed mogelijk te verpakken. Dat uitgerekend u dat moet doen, betekent alleen maar dat u volgens uw hoofdredactie over veel creativiteit beschikt…

Auteur: Jonas Truwant

Bron: www.mediakritiek.be





Internet doorbreekt de omerta over mediacrisis

5 03 2009

Verontruste professoren schreven samen met de algemeen secretaris van AJP (Association des journalistes professionnels) een vlammend opiniestuk over het brutale ontslag van de hoofdredactrice en drie journalistes van het weekblad Vif/L’Express. Maar zowel le Soir als La Libre Belgique weigerden het stuk. Een mooi voorbeeld van de omerta in de media over de eigen crisis. Het opiniestuk maakte furore op het internet en werd uit eindelijk toch gepubliceerd door La Libre Belgique. Le Soir zag zich verplicht in een artikel uit te leggen waarom het niet gepubliceerd werd.

Op een meeting over de crisis in de media (14/02) hekelde Marc Van de Looverbosch, voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Journalisten de zwijgplicht in de media. Volgens Van de Looverbosch is er in een aantal gevallen zelfs sprake van censuur door hoofdredacteuren die niet willen dat het thema in hun krantenkolommen aan bod komt. Het geweigerde opiniestuk over de problemen bij Le Vif is een mooi voorbeeld van die omerta. Zes professoren, een oud-medewerker van RTBF en de algemeen secretaris van de Franstalige journalistenbond waren verontwaardigd over het ontslag van vier journalistes van Le Vif. De vier – die samen 55 jaar anciënniteit hebben – werden per sms ontboden, de mededeling van hun ontslag duurde drie minuten en ze kregen op een zaterdag twee uur de tijd om in aanwezigheid van de bewaking hun archief op te halen.

De tekst herleidt het debat tot een clash tussen stoute uitgevers en journalisten. En dat is een beetje kort door de bocht, vond de hoofdredactrice van Le Soir Béatrice Delvaux. Ambigu en een amalgaam, vond de hoofdredacteur van La Libre Belgique Michel Konen. Het opiniestuk werd dan maar duchtig rondgemaild en op blogs en sites geplaatst. De buzz was zo groot dat La Libre Belgique het stuk uiteindelijk toch plaatste op 29 januari. Le Soir wijdde er dan maar een artikel aan met de uitleg van Béatrice Delvaux waarom de mening van de verontruste professoren en journalisten niet welkom was. De Nederlandse versie vindt u hieronder.

Een journalistiek in het gelid
Het brutale ontslag zonder reden van vier ervaren journalisten van het weekblad Le Vif/L’Express is niet zomaar een spijtige wending in een groot bedrijf zoals er helaas elke dag gebeuren in dit land. Het aan de kant schuiven van medewerkers die tot twintig jaar anciënniteit hebben binnen het magazine en die er mee de waarden en de reputatie van hebben gesmeed, komt in dit geval neer op een zuivering waarvan de intenties zorgwekkend zijn voor de redactionele vrijheid van Le Vif en voor de journalistiek in het algemeen.

De directeur van Le Vif/L’Express die zich eerder bij Trends/Tendances liet opmerken door een neiging om C4’s uit te delen en die bij Le Vif al aan 6 ontslagen, 2 journalisten die vertrokken en 2 verplichte overplaatsingen zit, heeft het zelf gezegd: geen enkele economische reden heeft hem verplicht om de hoofdredactrice en drie gespecialiseerde redactrices de laan uit te sturen. De directie roept slechte relaties tussen de redactieploeg en de hoofdredactrice in. Aangezien de directie er niet in geslaagd is om die problemen op te lossen koos ze dan maar voor de meest radicale manier om er een einde aan te maken. Het voorwendsel is niet alleen licht maar slaat bovendien ook niet op alle betrokken journalisten. Uit de wals van ontslagen die bij Le Vif drie jaar geleden werd ingezet, spreekt een constante obsessie: de redactie van het belangrijkste algemene nieuwsmagazine in de Franstalige gemeenschap in het gelid doen lopen. Een redactie die juist haar geloofwaardigheid had gebouwd op een totale onafhankelijkheid van analyse en oordeel zowel tegenover de eigen aandeelhouders – de Vlaamse groep Roularta – als tegenover de politieke en economische machten binnen de Belgische samenleving.

Meer dan twee decennia lang kon Le Vif/L’Express een veeleisende journalistiek verdedigen, bezorgd om de pertinentie en het nut voor de lezers van de onderwerpen die werden aangeraakt. In naam van die ethiek kon het wel eens nodig zijn om een adverteerder boos te maken, om een minister tegen de schenen te schoppen of om een thema aan te snijden dat moeilijker te verkopen is. Dat was niet meer vanzelfsprekend van zodra de directie van Roularta, verontrust door een lichte daling van de verkoop, overtuigd raakte dat ervaren journalisten vervangen moesten worden, dat alle hoofden die er boven uitstaken moesten worden afgehakt en dat gehoorzaamheid aan de economische eisen van het bedrijf de nieuwe geloofsbelijdenis moest worden.

De uitgever van Le Vif is niet de enige die zo zijn redactie het vermogen ontneemt om zelf de prioriteiten vast te leggen en de actieradius te bepalen. Zowel in België als daarbuiten kiezen al te veel ondernemers er voor – soms in naam van economische moeilijkheden – om de inhoud te verarmen, het personeelsbestand in te krimpen, de onafhankelijke geesten en kritische pennen aan de kant te schuiven, onstuimige talenten in te tomen en de voorkeur te geven aan onderdanige hoofdredacteurs.

Le Vif/L’Express is het enige algemene weekblad met een ruime verspreiding in de Franstalige gemeenschap. Diegenen die het van binnenuit ontmantelen dragen een grote verantwoordelijkheid tegenover de hele publieke opinie.

Bovenop de zorg voor de toekomst van de ontslagen journalisten maar ook voor hen die blijven, komt de verbazing over de sociale brutaliteit: de vier journalisten werden ’s avonds per sms ontboden om ’s morgens in alle vroegte de bons te krijgen en het verbod om nog langs te komen op de redactie om hun persoonlijke spullen op te halen. De zaterdag daarop kregen ze daarvoor twee uur onder het toeziend oog van de bewaking. Welke grote fout, welk misdrijf hebben zij gepleegd om zo’n misprijzen te verdienen? Niets rechtvaardigt zo’n geweld in de sociale relaties die in dit geval gepaard gaat met een echt misprijzen voor het arbeidsrecht en contrasteert met het imago van het vredige familiebedrijf dat Roularta zo graag koestert. De reactie van de redactie van Le Vif die zes dagen staakte en de onvoorwaardelijke steun van de journalistenbond en de vakbonden toont aan dat de grenzen van het toelaatbare werden overschreden.

De financiële crisis, de val van de reclame-inkomsten, de technologische diversifiëring van de media en de investeringen die daarmee gepaard gaan kunnen nooit rechtvaardigen dat de journalistiek herleid wordt tot enkel haar economische waarde, dat de journalisten niet langer de waakhonden van de democratie zijn maar de vlijtige soldaten die geformateerde inhouden moeten verkopen om te voldoen aan de commerciële eisen op korte termijn.

Wij hebben ervaren, vrije en onafhankelijke redacties nodig die bovendien voldoende groot zijn. Zoals we ook meer nood hebben aan denkvermogen, ervaring en journalistieke cultuur dan aan extreem gevulgariseerde bladen die zoveel mogelijk mensen moeten behagen. Het gedrag van bepaalde managers en de besparingsplannen zowel in het noorden als het zuiden van het land gaan niet in die richting. Onze media moeten hun intellectuele capaciteiten behouden: respecteer dus de journalisten!

Auteur: Christophe Callewaert
Dit verscheen eerder op indymedia.be

Originele tekst op agjpb.be aan de hand van
Pascal Durand (ULg), Benoit Grevisse (UCL),
François Heinderyckx (ULB), Claude Javeau (ULB),
Jean-Jacques Jespers (ULB), Hugues le Paige (revue Politique),
Gabriel Ringlet (UCL), Martine Simonis (AJP), Marc Sinnaeve (Ihecs)