Als leven te veel pijn doet

28 03 2012

Het klopt wat Ann Callebert besluit uit de 10 interviews die ze deed met mensen die ondraaglijk psychisch lijden: steeds meer mensen beseffen dat ook geestelijk lijden een reden kan zijn om euthanasie te vragen, en (in uitzonderlijke gevallen) ook te krijgen. Het klopt ook dat terecht te kunnen bij een hulpverlener met je euthanasievraag,  de nodige geruststelling kan geven om verder te leven. Toch is de rauwe realiteit nog altijd, dat een vraag niet altijd ernstig genomen wordt. Omdat het ‘geestelijke lijden’ weggelachen wordt, en erger nog, psychiatrische centra patiënten de deur wijzen die de vraag durven te stellen. Ik wil wel  een kanttekening zetten bij die euthanasievraag bij psychisch lijden. Het psychische lijden moet het gevolg zijn van een medische aandoening, zo bepaalt onze wet, er moet een DSM code aan verbonden zijn. Maw, je moet ‘psychiatrisch’ zijn. En daar knelt het schoentje: niet ieder persoon die psychisch lijdt is ‘psychiatrisch’ of wil het zijn.

Callebert heeft het in haar onderzoek over mensen die al sinds hun kindertijd worstelen met een doodswens, jongeren die opgroeien tot volwassenen die moeilijk relaties aankunnen. Zowel sociaal als gevoelsmatig staan en voelen ze zich alleen, ze zijn als het ware ‘ziek van zichzelf’. De vraag is of deze mensen voldoen aan de wet. Kunnen zij kiezen voor euthanasie en tegen zelfdoding? Kan er op hen een pathologie geplakt worden? Ik ben ervan overtuigd  dat het vaak niet om psychiatrische patiënten gaat, maar over mensen die zichzelf verloren hebben  en zichzelf nooit zullen terugvinden, als het ware  een existentiële aandoening die ze meedragen en die onomkeerbaar is. Onze euthanasiewet moet voor deze mensen (hoe weinig het er ook zijn) een uitweg bieden als erover praten niet helpt om de doodsvraag dag na dag, maand na maand en misschien lang genoeg op te schorten. Een ‘zorgende’ maatschappij biedt een ‘barmhartige’ oplossing voor deze mensen binnen het kader van de huidige euthanasiewet.

Jacinta De Roeck
Directeur Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging en gewezen senator

Advertenties




Wat met GGO’s?

8 03 2012

Hierbij een reactie op de artikels ‘GGO’s zijn nuttig’ en ‘De Vraag van 1 miljoen’ uit Het Vrije Woord van februari 2012.

In het laatste Vrije Woord werden 2 bijdragen omtrent ggo’s gepubliceerd: ‘GGO’s zijn nuttig’ van Geert Angenon en ‘De Vraag van 1 miljoen’ van Bart Staes.
De eerste – de wetenschapper – focusseert zich vooral op de voordelen, de tweede – de politicus – belicht het maatschappelijke impact. Artikels met verschillende invalshoeken over hetzelfde thema zijn boeiend om lezen. Het gebruik van Ggo’s laat een zeer gekend paradigma zien: patenten en lobbygroepen maken de bevolking schatplichtig aan multinationals. Door hun middelen en hun schaalgrootte slagen dergelijke bedrijven er veelal in om het snelst(!) patenten uit te vaardigen. Wie in een bepaalde branche werkt zal vroeg of laat op analoge. “uitvindingen” terecht komen. In het geval van productontwikkeling mag de snelste van de ratrace de anderen aan zijn overwinning onderwerpen. In veel gevallen worden patenten gebruikt om de anderen te hinderen – een typisch recent voorbeeld is de werkwijze van Microsoft die makers van Android-toestellen overdreven hoge rechten doet betalen voor enkele onbeduidende patenten. Deze kapitaalkrachtige mastodonten kunnen een leger lobbygroepen financieren zodat zij een vrij ondemocratische politieke besluitvorming kunnen forceren. Zo is het ICT-beleid van de EU Microsoft bepaald en wordt iedere schamele poging om open-source uit te gaan proberen – om onafhankelijk van deze multinationals te raken – in de kiem gesmoord. Dergelijk sneeuwbal-effect doet de macht van de politiek naar de multinationals verschuiven. De vrijheid van de kapitaal-accumulaties en de afhankelijkheid van de burgers ervan, wordt de “vrije” markt genoemd. In die zin kan ik een stuk meegaan in de argumentatie van Bart Staes, daar waar Geert Angenon deze gevoelige snaar handig probeert te omzeilen met het verhaal van EMBRAPA.

Ik heb anderzijds een aantal problemen met de bezwaren van Bart Staes.
Zijn eerste bezwaar is een opsomming van enkele open vragen waarmee je alle kanten uit kan gaan: “Hoe ver kan de mensheid gaan in het ingrijpen van de natuur?” Ik geloof dat de redenen om lijfsbehoud van zowel individu als van samenleving als van toekomstige generaties voldoende krachtige argumenten zijn om in de natuur in te gaan grijpen. De auteur geeft trouwens geen redenen aan waarom de natuur – de grote fascist – niet doorkruist zou mogen worden. Dient men dan de deeltjesversneller in Genève stil te gaan leggen? Of moet men in geval van ziekte de natuur zijn gang laten gaan? Ik vrees dat die “sacraliteit” van de natuur een onhoudbaar argument is. Ook de vraag “Worden er met dit soort onderzoek grenzen overschreden?” is meer stemmingmakerij dan argumentatie. Over welke grenzen gaat het hier? Is onderzoek of het ontwikkelen van nieuwe producten niet altijd het overschrijden van een grens? Zelfs de laatste vraag “Kunnen we met genen doen wat we willen of moeten we dit plaatsen in een context van respect voor ons ecosysteem?” Ik had natuurlijk graag van de auteur zelf vernomen of we met genen kunnen doen wat we willen, maar uit de context leid ik af dat Bart Staes daar negatief tegenover staat. Maar een reden krijgen we helaas niet te lezen. En als ggo’s er kunnen voor zorgen dat er minder fungiciden in de landbouw gebruikt hoeven te worden, “respecteert” men daarmee niet meer het ecosysteem?
Bovendien bestaat er zo iets niet als “het” ecosysteem, maar kunnen we slechts spreken van een plaatselijke en tijdelijke evenwichtstoestand van de omgeving.

Argument 2. De gevolgen op lange termijn. Het risico is altijd tweedelig. Het kan een risico zijn iets te gaan gebruiken, maar het kan evengoed een groter risico zijn iets niet te gaan gebruiken. In het kader van de toenemende bevolking (waar is het respect van de mensen tegenover het ecosysteem gebleven?) zouden ggo’s wel eens de oplossing kunnen zijn om het voedselprobleem binnen de perken te houden. Men vergeet al te vaak dat de huidige industriële landbouw (met zijn nefaste impact op de leefomgeving) er anderzijds heeft kunnen voor zorgen dat de voorbije eeuw er in Europa nagenoeg geen voedselschaarste was. Het is evident dat het nemen van risico’s in deze materie om louter geldgewin door de samenleving tegengegaan dient te worden.

Argument 3. Ggo’s zorgen voor een verschraling van de biodiversiteit. Ik geloof dat deze bewering ook geldt voor de klassieke industriële landbouw. Het impact van de negatieve effecten van ggo’s op de volksgezondheid dient inderdaad grondig bestudeerd te worden – Geert Angenon heeft het in dat verband over “hinderpalen”. Het zou mij verwonderen dat er op grote schaal ggo’s ingezet worden, zonder dat daar de effecten aan de volksgezondheid afgetoetst werden. Indien niet, dan is er nog wat politiek werk aan de winkel! Het laatste zinnetje in die
paragraaf: “ Al bestaan er wel degelijk enkele verontrustende studies”
zou beter in een “Magazine voor vrijdenkers” geschrapt worden.

Argument 4. Onderzoek toont aan het 70% van de Europese burgers tegen ggo’s is. Dat is natuurlijk geen argument voor of tegen het gebruik van ggo’s. Het is een vaststelling van een heersende opinie over het vraagstuk. Ik kan mij inbeelden dat een politicus gevoelig is voor dergelijke feiten, maar het kan geenszins gebruikt worden om een gedegen oordeel over het gebruik van ggo’s te maken.

Argument 5. Daar kan ik volledig mee inkomen (zie mijn inleiding over patenten). In die zin dient de ontwikkeling van ggo’s volledig open source te gebeuren.

Argument 6. Ggo-landbouw is onverenigbaar met biologische of duurzame landbouw. Dat lijkt me in een aantal gevallen in tegenspraak met een aantal voorbeelden die Geert Angenon aanhaalde (ongevoeligheid voor plagen en insectenvraat). Men zal geval per geval dienen te beschouwen.
Ik denk dat het grootste obstakel in deze discussie hem zit in het feit dat men alle ggo’s over dezelfde kam gaat scheren. Door het polariseren kan men het kaf van het koren niet meer scheiden. Al met al vind ik het argument van het afhankelijk worden van grote industriële concerns het meest bezwarende element in deze discussie. Laat ons dan ook hopen dat dergelijk maatschappelijk hangijzer voldoende politieke aandacht gaat krijgen. De maatschappij schept de mogelijkheden om gedegen technische vaardigheden op te doen. De multinationals gebruiken vervolgens gratis die kennis en vaardigheden van de burgers om de samenleving aan hen schatplichtig te maken. Is dat geen ethisch probleem dat eens goed onder een politieke loep genomen zou mogen worden? Of hebben de lobbygroepen de ketenen al al te strak aangespannen om nog een open en vrij onderzoek in die materie te kunnen voeren?

Bernard Decock (07/03/2012)





‘De ongelovige Thomas heeft een punt’

8 03 2012

Hierbij twee reacties op de boekrecensie van ‘De ongelovige Thomas heeft een punt’ uit Het Vrije Woord van februari 2012.

Ik heb zonet uw recensie gelezen van het boek van Braeckman & Boudry. Uw evaluatie kan ik niet beoordelen, ik heb het immers zelf niet gelezen (mijn hersenen zijn niet zozeer gulzig op vlak van voeding, maar wel van kennis, dus hoop ik het boek natuurlijk te winnen….)
Twee zaken doken spontaan in mijn geest op.
Thomas. Zoals u misschien weet bestaat er een apocrief evangelie van Thomas. Dat evangelie bevat enkel uitspraken toegeschreven aan Jezus van Nazareth. Hij wordt in dit evngelie voorgesteld als een mystiek leraar en het hele verhaal over zijn dood en verrijzenis, dat zo een centraal element is van het christelijk geloof en theologie, komt in het geheel niet ter sprake. Dat leidt bij sommigen tot het vermoeden dat er in de beginperiode van het christendom volgelingen van Jezus waren die daar geen belang aan hechtten (aangeduid als ‘Thomas-christenen) en dat het verhaal van de ongelovige Thomas in het Johannes evangelie in feite een afrekening met hen was.
Ik ben het helemaal eens met je opmerkingen over marxisme. Maar Marx was in de eerste plaats een filosoof, net zoals Adam Smith, in een periode dat de economische wetenschap zich moest ontwikkelen. Marxisme is natuurlijk een breed verzamelbegrip geworden. De wereldsysteemanalyse van Wallerstein valt er ook onder en wordt dat door Braeckman ook als pseudowetenschap beschouwd? Voor zover de economie natuurlijk een wetenschap is. Het mensbeeld van de economie, de rationele homo economicus is toch wel betwistbaar. En om een voorbeeld van de ‘andere kant’ te nemen: Milton Friedman en het neoliberalisme: is dat wetenschap of ideologie? Er zal in het geval van menswetenschap een grijze zone blijven: bij menswetenschappen vallen onderzoeksobject en onderzoeker samen en menselijk gedrag bestuderen en verklaren is toch wel iets anders dan de beweging van hemellichaam voorspellen.

pascal versavel (24/02/2012)

———————————————————————————————————————————

Ik ben het natuurlijk eens met de stelling dat we ons te gemakkelijk laten verleiden door wat u in uw recensie “geluksbrengers ” noemt. Ook denk ik dat we zo goed mogelijk de rede en het gezond verstand moeten inschakelen bij de beoordeling ervan.

Wat betreft “de wetenschap” leren we dat de theorie moet gestaafd worden door alle mogelijke proefnemingen, en bij tegenspraak moet de theorie verworpen of bijgesteld worden. Ondertussen weten we dat, wat we theorie noemen, in feite slechts modellen zijn die de werkelijkheid omschrijven, en die naarmate de wetenschap vordert aangepast worden.
Zo spreken we over het Rutherfords atoommodel, dat ondertussen al werd aangepast door de aanname van quarks, antiquarks, materie antimaterie enz. Het model werd verder aangepast door het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, en verder, als kers op de taart, waar Stephen Hawking ons leert over de “waarschijnlijkheid” van alle mogelijke paden die een materiedeeltje kan volgen. Voor een simpele geest als de mijne wordt dit mischien wel wat veel, maar we doen ons best.

Terug naar de geluksbrengers en de “pseudo-wetenschap”.
Nemen we als voorbeeld de astrologie. Voor alle duidelijkheid wil ik hier stellen dat ik daar absoluut geen geloof aan hecht, maar ik geef het toch graag als voorbeeld. Mensen worden bijna dagelijks geconfronteerd met astrologische voorspellingen, en voor wie er geloof aan hecht, kloppen ze ook. Het is te zeggen, we zien voorbeelden waar het “model” klopt, en daar waar het niet klopt, passen we zelf het model aan, of het is een uitzondering enz. Mischien zijn er wel karaktereigenschappen “statistisch” vast te stellen bij mensen die in een bepaald seizoen geboren werden. Dat deze karaktereigenschappen iets of wat met de stand van de sterren te maken hebben laat ik over aan de goedgelovigen. Het verschil tussen wetenschap en pseudo-wetenschap lijkt mij hier te zijn dat in het eerste geval de experimenten algemeen geldig moeten zijn, en in het tweede geval, ze enkel in de geest van de betrokkene geldig moeten zijn.

Hoe men het ook bekijkt, de mensen zijn gemakkelijker te overtuigen door eenvoudige modellen. Hierin ligt mischien wel het succes van deze psuedo-wetenschap. Ik denk niet, dat we mensen, die geloof hechten aan deze pseudo-wetenschappen, ervan kunnen overtuigen om er vanaf te stappen met het argument dat het niet wetenschappelijk is. Neen zo werkt het niet. Hoe spijtig we het ook mogen vinden, het is zo en niet anders.

Paul Van den Bossche (27/02/2012)





‘Religie voor atheïsten’

8 03 2012

Hierbij volgen enkele reacties op de boekrecensie van ‘Religie voor Atheïsten’ (Alain De Botton) uit Het Vrije Woord van november 2011.

‘De School van je leven’
Naar een praktisch vrijzinnig-humanisme
In zijn boekbespreking over ‘Religie voor atheïsten’¹ van de Alain de Botton vergelijkt Björn Siffer, in het Vrije Woord,  de man  met een vals zingende Helmut Lotti die op een populariserende manier filosofie van de gewone man brengt . Wat Björn vooral steekt bij de Botton is de veronderstelling dat we inzichten in de zwakheden van de mens en hoe daarmee om te gaan,  vooral te danken zouden hebben aan het christendom.  Uiteraard is Björn het met deze veronderstelling niet eens.

Maar is dat zo? Is de Botton een protagonist van de stelling dat atheïsten er niet in slagen een deftig surrogaat te verzinnen voor het ter ziele gegane christendom? Is dit de kern van zijn betoog? Dat alleen het christendom een patent op mededogen voor de zwakheid van de mens heeft ?  Ik denk het niet.

Wat  Alain de Botton interessant maakt is niet of het historisch correct is dat alleen het christendom iets te vertellen heeft over de menselijke zwakheden, uiteraard vertellen de oude Grieken en de verlichtingsfilosofen daar ook zinnige dingen over,  maar wel de manier waarop hij naar het christendom en in mindere mate,  naar het Jodendom, het boeddhisme en hindoeïsme kijkt.

Hij stelt daarbij een heel pertinente vraag :  kunnen we iets leren van religies zonder gelovig te moeten zijn? Wat maakt religies zo aantrekkelijk voor de meerderheid der mensheid? En waar schieten we in dit verband tekort in onze seculiere westerse wereld? Dergelijke onderwerpen doen in vrijzinnige kringen al snel veel belletjes van argwaan rinkelen. Ze zien het al rap als een ‘tjevenstreek’ om  godsdienstige premissen in het vrijzinnig discours te loodsen. Ik begrijp die bezorgdheid wel en ik zie ook het gemak waarmee je een dergelijk discours,  met enkele welgemikte citaten en verwijzingen,  richting  prullenmand stuurt.

Toch wil ik er bij stilstaan. Omdat religie wereldwijd een belangrijk fenomeen is. Omdat er staten op gebouwd zijn. Omdat het leven van miljarden mensen erdoor geregeld en beheerst wordt. Als vrijzinnige kan je dan wel zeggen dat dat allemaal onzin is, maar hier spreekt de macht van het getal. Wij vrijzinnig humanisten maken immers maar een heel klein percentje uit van het grote aanbod aan levensbeschouwingen gebaseerd op religieuze dogma’s of geopenbaarde wijsheden. Het kan geen kwaad, zoals Alain de Botton doet,  te onderzoeken wat de parameters zijn van het succes² van een religie waarmee hij cultureel  verbonden is.  Dit onderzoek lijkt me  een nuttige aanvulling bij antropologisch, evolutionair en neurologisch onderzoek  naar het ontstaan van religies én de werking van ons brein. Alain de Botton wil inzichten uit filosofie en wetenschap praktisch bruikbaar maken voor de ‘gewone’ man. En hij gaat daarbij uit van de empirische vaststelling dat ons geheugen nogal gebrekkig werkt. Het inspirerende aan de Botton is nu dat hij de ‘trukendoos’ van de religies : liturgische handelingen, rituelen, vaste feestdagen … wil vatten en toepassen op seculiere inzichten uit filosofie en wetenschap. De clou van rituelen en vaste kalenders is herhaling, herhaling. Zo werkt immers ook ons geheugen. Slechts door herhaling slagen we erin om zaken,  via ons  korte termijn geheugen, op te slaan in ons lange termijn geheugen. Geritualiseerde , op herhaling gebaseerde,  bijeenkomsten, herinneren ons  aan ‘good practices’ die we in de ratrace van ons dagelijks leven vergeten of waarvoor we geen tijd  hebben.

De Botton schrijft over een praktisch humanisme gebaseerd op wetenschappelijke en filosofische inzichten die hij toegankelijk wil maken voor de ‘gewone’ mens. In tegenstelling tot de traditionele ex-cathedra benadering van dergelijke materie in academische milieus, bepleit hij een levendige, interactieve, op de dagelijkse ervaring berustende aanpak waar ook aandacht is voor prettige omgangsvormen en instructies om beter om te gaan met onze ‘condition humaine’.

Het lijkt een boutade dat, met uitzondering van enkele vrijgestelde intellectuelen en/of academici, de meeste ‘gewone’ mensen geen tijd hebben om subtiele analyses te maken en diepe inhouden te zoeken, hoewel er zeker enkelingen tussen zitten die het uit hobby doen (bij vrijzinnigen zie je ze wel eens). Dat die gewone mensen met levensvragen zitten is empirisch aan te tonen. Vragen rond geluk, relaties, werk en gezin, opvoeding, maar ook emoties zoals verdriet, schaamte, radeloosheid waar ze niet steeds weg mee blijven. Het is precies over dit soort vragen en emoties dat Alain de Botton het heeft. En antwoorden zoekt . Gemakkelijke antwoorden, bruikbaar voor huis – tuin- en keukenproblemen. Problemen van alle dag. Wetenschap en filosofie geven die antwoorden maar omdat ze zijn niet meteen bruikbaar zijn voor ‘gewone’ mensen organiseert de Botton een “school of life”. Waar in cursussen van 3 uur antwoorden gegeven worden op vragen zoals: ‘ wat is liefde’, ‘moet ik mijn  vrouw trouw blijven’,’hoe moet ik omgaan met die vervelende baas van me’ enzoverder. Die antwoorden komen uit filosofie en wetenschap verpakt in verteerbare brokken en voor praktisch gebruik. Daarnaast speelt Alain de Botton  buurtje leen bij kerkgemeenschappen. Hij bekijkt met het oog van een sociaal antropoloog, ontdaan van haar sacrale en godsdienstige betekenis,  rituelen, plechtigheden, feestdagen, heiligenbeelden, gebeden, handelingen en tradities. En hij kijkt wat deze zaken met gewone mensen doen en hoe ze een rol spelen in hun leven.

En zo komen we bij een vaststelling die ontnuchterend is voor atheïsten en vrijzinnigen.

De mens is ondanks zijn ratio ook nog steeds een emotioneel, intuïtief en instinkt gedreven wezen. Met eigenschappen die, als je die niet corrigeert³ , leiden tot zijn eigen ondergang.

De mens is zwak en kwetsbaar. Zoals Diderot reeds vaststelde. Ik wil alles wel rationeel bekijken maar het doet toch verdomde pijn als mijn lief me bedriegt.

Wat zegt de Botton. Organiseer bijeenkomsten  in een speciaal restaurant, waar mensen samen eten die elkaar niet hoeven te kennen, maar waar de sfeer zo is dat iedereen kan spreken over wat hem of haar bezighoudt. Verwijzingen naar sociale status zijn taboe. In dit soort ‘agapes’ restaurants krijgen mensen  die verloren lopen opvang én een luisterend oor van zielsverwanten. Dat is een ander concept dan het uitgebreide tafelgedrag van seculiere zakenmensen en politici. Of een etentje onder vrienden.

In zijn hierboven vermelde boekbespreking vraagt Björn Siffer zich enigszins schamper af wat de Botton bedoelt met het woordje ‘ziel’.  In het Engels klinkt dat beter ‘soul’. ‘Soulmate’. Ziel, zielsverwantheid of soulmate is het  vermogen om met iets of iemand een diepgaande verbondenheid te voelen. Een verbondenheid die berust op, het seculier meer aanvaardbare begrip,  empathie wat volgens hersenonderzoekers  tot stand komt door  de aanwezigheid van ‘spiegelneuronen’ in ons brein. Dankzij spiegelneuronen kunnen we ons inleven in een ander. Kunnen we voelen wat een ander voelt.

In onze ratrace van iedere dag is er weinig gelegenheid om empathisch te zijn. Alain de Botton houdt een pleidooi om ruimtes te scheppen  waar dat wél mogelijk is. Ook hier kijkt hij naar religieuze gemeenschappen, omdat die een zeer lange traditie hebben van omgaan met menselijke ellende, maar ook met vreugde. Die in vaste rituelen, herdenkingsmomenten en handelingen steun en ruggengraat bieden voor mensen die troost of begrip kunnen gebruiken en door hun repetitief karakter de mens herinneren aan hun bestaan (herinner u het zwakke geheugen van de mens). Dit speelt zich niet af op het rationele vlak maar grijpt in op diepere lagen van ons brein. Die lagen die maken dat we al dan niet ergens goesting in hebben, ons leven met plezier leven, enthousiast zijn of wanhopig een uitweg zoeken uit ons lijden.

Over deze zaken gaat het bij de Botton, hij inspireert.

Een inspiratie die niet gebaseerd is op dogma’s maar op vrij onderzoek én waarbij hij rekening houdt met onze ‘condition humaine’  en ons gebrekkig geheugen. Zijn onderzoek naar de ‘methodiek’ van religies om belangrijk geachte inzichten, wijsheden of boodschappen te communiceren en over te brengen kan in deze ook inspirerend werken voor atheïsten en vrijzinnig-humanisten. En hij past dat ook in de praktijk toe. Via workshops in de ‘school of life’  maar ook via wekelijkse sermoenen, compleet met gezang, waar inzichten van interessante filosofen, poëten, schrijvers over de ‘dingen des levens’ met een enthousiast publiek gedeeld worden. Het interessante is dat deze benadering lijkt te werken. En een jong publiek aantrekt. Precies waar we hier in België, binnen de georganiseerde vrijzinnigheid, zo ’n behoefte aan hebben.

Marieke Höfte, Voorzitter H-VV

¹ Alain de Botton, Religie voor Atheïsten. Een heidense gebruikengids. Atlas, juli 2011, paperback, 317 pagina’s.
² Dit geldt uiteraard niet meer voor het geseculariseerde West-Europa, maar wel voor de rest van de wereld.
³ Dit is een bijzonder interessant onderwerp, omdat het gaat over de toekomst van onze planeet. Het valt helaas buiten het bestek van dit artikel.

—————————————————————————————————————–

De kritiek op het boek ‘Religie voor atheïsten’die in dit artikel wordt gebracht, gaat volgens mij ver over de schreef. Het geeft me de indruk van een allergische reactie op religieuze organisaties die veel handiger gebruik maken van de zwakke kanten van het menselijk bestaan en er zo in slagen mensen voor zich te winnen. De detailkritieken zijn misschien gerechtvaardigd, maar daardoor wordt de aandacht afgeleid van wat in feite de kern van de problematiek is. Alain De Botton gaat volgens mij naar de essentie. Hij illustreert het voordeel van religies en de moeilijke situaties waarin het seculiere verkeert. Het is inderdaad frustrerend voor de vrijzinnige om overtuigd te zijn dat religies volgens hen gebouwd zijn op irreële grondvesten en dat zijzelf toch geen goed alternatief vinden voor hun succesfactoren.

De tragedie van het huidige atheïsme is dat ze zoveel aspecten van religies, die nog steeds hun belang hebben in het goed functioneren van de samenlevingen, naar de achtergrond hebben verdrongen. God is dood, maar dat is niet het geval voor de sociale en psychologische aspecten die mensen aantrekken tot religies. Het belang van architectuur, kunst, natuur, samenleven, tegenslagen, dood en rituelen was al lang duidelijk, zeker voor wat betreft de stabiliteit van samenlevingen. Religies vermengen ze in hun leren. Maar het is niet gemakkelijk om die succesfactoren van religies te integreren in een nieuwe levensbeschouwing waarbij het accent verschoven werd van het bovennatuurlijke naar de natuur en de mens. De Botton laat zich daarvoor inspireren door vroegere denkers die al geprobeerd hebben een nieuwe weg uit te stippelen. Hij gaat op zoek naar een alternatief voor de religieuze kerken, kathedralen en tempels, voor de kunst waarmee deugdelijkheid en mededogen werden geïllustreerd en voor een God die alles overstijgt. Dat is niet gemakkelijk, want we hebben ondertussen al ervaren dat pogingen faalden voor het gebruik van kunst in de dienst van staatkundige systemen. Denk maar aan het gewezen Sovjet-communisme.

Ik vind het boek ‘Religie voor atheïsten’ een heel waardevol boek dat als aanzet kan dienen om toch een waardig seculier alternatief uit te werken voor de religieuze levensbeschouwing.

Mathieu Snykers