“Google bestaat tien jaar en viert dat met een ideeënwedstrijd om de wereld te verbeteren. Maar Google is allang niet meer alleen die zoekrobot, maar een metafoor voor het internet. Heeft dat web de wereld wel verbeterd?” Net zoals in het verleden technologische vooruitgang door sommigen scheef bekeken werd – denk maar aan de voorspellingen dat koeien geen melk meer zouden geven bij het zien van een trein, dat raketten gaten schieten in de atmosfeer, … – circuleren ook nu nog dergelijke voorspellingen. Zo zou het internet domoren van ons maken. Voortrekkers van deze stelling zijn Nicholas Carr en Mark Bauerlein. “Deze zomer lanceerde de Amerikaanse publicist Nicholas Carr in The Atlantic Monthly de noodkreet dat het internet zijn hersenen aan het herporgrammeren is. Het zou hem zozeer gewoon hebben gemaakt aan een specifieke manier van informatie verstrekken, in flarden en bij voorkeur opgeleukte fragmenten, dat hij niet meer in staat is om nog lange teksten te lezen en niet langer de volgehouden aandacht kan opbrengen om de lectuur van een goed boek tot een dito eind te brengen”. Niettemin is het internet uitgegroeid tot een informatieberg waarvan de omvang zonder voorgaande is in de geschiedenis. En die informatie is bovendien nooit verder dan een muisklik verwijderd. “Maar tegelijk is het net een even gigantische doolhof, waarin een kat haar jongen niet meer terugvindt, alle zoekmachines ten spijt”. Haar onbeperkte omvang zorgt er ook voor dat er geen kwaliteitscontrole is, met alle gevolgen van dien. “Wat tevoren in de gevestigde communicatiemedia maar meilijk aan de oppervlakte kon komen vanwege zijn economische of maatschappelijke marginaliteit, krijgt alle kansen op dat internet. In die vrolijke anarchie zijn controle of censuur afwezig, en bestaan hiërarchie, rang noch stand. Wat dus ook betekent dat een zoekmotor als Google in principe de grootste onzin, als die maar voldoende is aangeklikt, even prioritair zal aanleveren als wat het resultaat is van het nobelste of diepste denken. En onzin is er genoeg, want anders dan in bijvoorbeeld bibliotheken heerst in de virtuele ruimte nooit plaatsgebrek; waarom zou men die dus niet gedogen?” Maar het gaat verder nog verder dan dat. “Ondertussen houden machtige servers van de zoekmotoren bij wie wat heeft opgezocht en desgevallend kunnen de politieke autorieiten daar kennis van nemen. Zeker jonge gebruikers zien daar weinig graten in. Ze nemen het niet zo nauw met hun privacy en geven argeloos informatie over zichzelf vrij. Daar verliezen ze elke controle over en ze zal in de virtuele ruimte zo lang beschikbaar blijven als de servers blijven draaien. (…) Sommigen laten zelfs toe dat Google de mails scant die ze via Gmail versturen, wat ook gebeurt bij de webmail van Yahoo!, waarna ze, op basis van de in die mails aangetroffen trefwoorden, ‘aangepaste’ reclame krijgen toegestuurd. Want zowat alles op het internet mag dan gratis zijn, daar staat wel wat tegenover”.
Bron: Marc Reynebeau in De Standaard 27/09/2008






Discussieer mee