Uitbreiding euthanasiewet, ook voor mensen met een verstandelijke beperking

23 04 2012

Ook mensen met een verstandelijke beperking kunnen de maturiteit hebben om te kiezen voor euthanasie

 

“Het Humanistisch Verbond (tegenwoordig HVV: Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging) speelde een zeer belangrijke rol in het tot stand komen van de huidige euthanasiewet.” zegt Jacinta De Roeck, directeur van HVV. “Natuurlijk weet ik dat onze wet niet perfect is. Ik werkte zelf heel actief mee aan die wet. Ik heb altijd al gezegd dat de wet de dementen in de kou laat staan.”

Het is dan ook moeilijk om elke dag opnieuw in gesprekken (HVV registreert wilsverklaringen euthanasie en helpt de mensen bij het invullen ervan) te moeten duidelijk maken dat het wel nuttig is een wilsverklaring euthanasie in te vullen, maar dat deze verklaring totaal waardeloos is voor elke vorm van verworven wilsonbekwaamheid. “De wet laat de toepassing immers alleen toe voor uitzichtloze coma. En, eerlijk gezegd, daarvoor is er geen euthanasiewet nodig! Het goede medische handelen van elke arts zorgt ervoor dat iemand in een uitzichtloze coma niet kunstmatig in leven gehouden wordt.”

HVV blijft dan ook een correcte uitvoering van de wet en een uitbreiding van de wet eisen.

“Ik erger mij mateloos aan ziekenhuizen die euthanasie weigeren en palliatieve sedatie toepassen. Ze misbruiken de emotioneel wankele toestand van de patiënt en de familie! Het kan niet dat een ziekenhuis met één hand klaarstaat om federale subsidies te krijgen en met de andere hand een democratisch gestemde wet van tafel veegt! En in de psychiatrie is het nog schrijnender. Mensen die bij een intakegesprek het woord euthanasie laten vallen, worden soms botweg geweigerd en de deur gewezen. Over barmhartigheid gesproken!”

 

HVV zou HVV niet zijn als ze nu al niet de kiemen zou leggen voor een volgend debat.

“De uitbreiding voor minderjarigen en dementen zal er wel komen.” zegt De Roeck, “De stem van onze samenleving klinkt zo luid dat de politici ooit zullen moeten luisteren. Maar wat als de uitbreiding er is? Zelfs dan staat er een groep in haar geheel in de kou: de handelingsonbekwame meerderjarige en de verlengd verklaarde minderjarige. Voor een vrijzinnige kan dat niet. Ook iemand met een verstandelijke achterstand, die matuur genoeg bevonden wordt door het team, moet om euthanasie kunnen vragen. Een moeilijk debat gezien de historische voorgeschiedenis. Toch hopen wij dit debat met de begeleiders en de professionelen te kunnen voeren in een serene en open sfeer. Ik heb via mijn werk als directeur van HVV en via de netwerken die ik tijdens mijn politieke loopbaan opbouwde, veel contact gehad met mensen uit het veld. Begeleiders spraken me hier zelf over aan.”

 

Informatieve tekst

HVV en de strijd voor een correcte euthanasiewet voor elk individu.

Het Humanistisch Verbond trok al sinds de jaren 50 aan de kar om euthanasie wettelijk mogelijk te maken. Vijftig jaar later was het eindelijk zo ver.  We hebben een wet, die weliswaar niet perfect is, maar ze is er wel, en ze is intussen behoorlijk ingeburgerd in onze samenleving! De LEIFartsen en –nurses zorgen dat deze wet op het veld duidelijk gecommuniceerd wordt. Het ULteam biedt zelfs een uitweg voor die betrokkenen, familie en zorgverleners die ‘in de kou’ blijven staan. Morele consulenten van deHuizenvandeMens.nu staan klaar voor info en begeleiding en ook HVV speelt een prominente rol in de informatie, opvolging en zelfs ondersteuning. Maar toch is de strijd is nog niet gestreden!

 

Een wet die nog altijd niet correct toegepast wordt.

 

We merken  elke dag opnieuw dat de wet niet correct toegepast wordt. Artsen en ziekenhuizen die de wet niet genegen zijn, negeren nog steeds de wens en de autonomie van de patiënt en zoeken ‘achterdeuren’ om de euthanasievraag niet te horen of op een zijspoor (het intussen te vaak gebruikte palliatieve sedatie-spoor) te zetten, het bekende ‘uitstelgedrag’. Uitspraken als “Het is nog veel te vroeg om daarover te praten.” of  “Ikzelf kan echt niet ingaan op je vraag, maar ik zal op zoek gaan naar een ander arts.” – iets wat wel gezegd wordt, maar niet gedaan -  zijn schering en inslag. Moreel consulenten, ethische begeleiders en zorgverstrekkers ergeren zich hieraan, maar ze staan vaak machteloos. Wat ons vooral stoort is dat de zwakke positie  en de emotionele erg wankele gemoedstoestand van de patiënt en de familie ‘misbruikt’ worden.

 

HVV blijft daarom eisen dat de wet correct wordt toegepast:

-          Het kan niet dat ziekenhuizen een democratisch gestemde wet negeren, maar wel geen enkel probleem hebben met het krijgen van subsidies van diezelfde ‘federale’ overheid.

-          Het kan niet dat een huisarts, omwille van een morele reden, zijn patiënt in de kou laat staan en niet doorverwijst! Natuurlijk kan en mag hij weigeren, euthanasie is en blijft een ethisch en moreel zware beslissing. Maar die ‘morele vrijheid’ mag geen vrijgeleide zijn om niet de goede zorg te verstrekken die in de wet op de patiëntenrechten ingeschreven staat, om nog maar te zwijgen van de deontologische code waaraan een arts verplicht is!

-          Het kan ook niet dat de psychiatrie de euthanasievraag van mensen die een psychisch lijden hebben opzij schuift. Zeker niet omdat meer dan 90% van de psychiatrie in handen ligt van de ‘tegenstander’ van de wet. Is het barmhartig om mondige psychiatrische patiënten in de kou te laten staan door aan hen een intake te weigeren enkel en alleen omdat zij het woord ‘euthanasie’ laten vallen?

 

En dit is nog maar de top van de ijsberg. Als directeur van HVV ben ik vaak op pad voor infosessies, ook heb ik heel wat contacten met de mensen in de praktijk: de artsen, de zorgverleners, maar ook de patiënten zelf en hun familie. Vaak heb ik het gevoel dat we 10 jaar nadat de wet er kwam niet verder staan dan 10 jaar geleden. Een kleine groep blijft zich hardnekkig verzetten (cfr. het opiniestuk van René Stockman in DM van 6/4 – op ‘goede vrijdag’ nb!- ), en dat terwijl een ruime meerderheid van onze samenleving (gewone mensen en professionelen) duidelijk ‘anders’ denkt.

 

 

Een petitie om de politieke wereld wakker te schudden.

HVV probeerde in 2010 en 2011 de besprekingen op de politieke agenda te zetten. Tevergeefs. Een petitie, die mee ondersteund wordt door LEIF, RWS, de Grijze Geuzen, deMens.nu (vroeger UVV) en PMD Antwerpen werd massaal ondertekend en stopt op 22 april. Deze petitie zal later in het voorjaar overhandigd worden aan de Senaat. Daarmee tonen we aan dat de samenleving onze vraag voor een verfijning en een uitbreiding ondersteunt. Om nog meer druk uit te oefenen werd er tijdens de onderhandelingen een brief aan de onderhandelaars gestuurd om het belangrijke dossier op te nemen in de regeringsverklaring en zo te garanderen dat er een politiek debat zou komen. Er kwamen enkele positieve reacties van partijen en ook van enkele parlementsleden. Er staat echter niets in de regeerverklaring. Omdat de media zo een belangrijke rol kunnen spelen werd er zeer vaak gereageerd in de pers: met opiniestukken, lezersbrieven en interviews. HVV was een belangrijk partner in het tot stand komen van de wet, en is dat nu zelfs meer dan ooit. De samenwerking met LEIF en vooral met Wim Distelmans zorgt ervoor dat we ons standpunt duidelijk kunnen maken aan de bevolking. De huidige directeur van HVV (Jacinta De Roeck) was zelf één van de makers van de euthanasiewet als senator (AGALEV 1999-2003). Dankzij haar netwerken blijven we een prominente rol spelen.

 

 

Welke verfijningen en uitbreidingen vraagt HVV?

De verfijningen

  • Vermits de wilsverklaring steeds herroepbaar is, is een tijdslimiet van 5 jaar overbodig. Het is wenselijker de tijdslimiet te schrappen. De gemeenten, die de wilsverklaringen registreren, moeten nu al verplicht worden de betrokkenen automatisch op de hoogte te brengen van het nakende verstrijken van de tijdslimiet.
  • Indien de wilsverklaring euthanasie geregistreerd werd, dient het bestaan hiervan opgenomen te worden op de chip van de elektronische identiteitskaart of  siskaart.
  • Er moet een doorverwijsplicht komen voor de arts die euthanasie weigert.
  • Er moet toegezien worden op het feit dat ziekenhuizen die met overheidsgeld werken, de toepassing van de euthanasiewet niet in de weg staan.
  • Euthanasie voor psychiatrisch patiënten is perfect mogelijk via de huidige wet. Toch merken we dat zowel psychiaters als psychiatrische instellingen – die in meer dan 90% van de gevallen katholiek zijn – zeer huiverig staan tegenover de toepassing van de wet. Psychiatrische patiënten met een euthanasievraag, die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, blijven in de kou staan. Erger nog, we horen te vaak getuigenissen van patiënten die zelfs geweigerd werden voor een opname, enkel en alleen omdat ze hun euthanasievraag ter sprake brachten, wat in strijd is met de wet op de patiëntenrechten.

 

De uitbreidingen

-          Ook euthanasie bij verworven wilsonbekwaamheid moet kunnen.

De bepalingen in de wet van 28 mei 2002 gelden niet voor mensen met een ‘verworven wilsonbekwaamheid’. Euthanasie voor dementerenden is dus nog steeds onmogelijk en ook een wilsbeschikking, opgesteld wanneer mensen wel nog volledig zelfstandig kunnen beslissen, biedt geen oplossing. Intussen gaan er steeds meer stemmen op om de wet ook voor mensen met een onomkeerbare hersenaandoening mogelijk te maken. Cijfers bewijzen (meer dan 70% van de bevolking volgens een Dimarso onderzoek) dat er een ruim maatschappelijk draagvlak is. HVV aanvaardt dan ook niet dat de ‘volks’vertegenwoordigers hun taak niet opnemen en de wet niet herbekijken in het parlement. Want intussen bewijst de praktijk steeds vaker dat er patiënten zijn, zoals Hugo Claus, die uit angst voor een geestelijke aftakeling, in een bepaald stadium van de dementie om euthanasie vragen op basis van het ondraaglijke geestelijke lijden dat de ziekte voor hen teweeg brengt, en dit op een moment dat ze wel nog voldoende bewust zijn. Zij stappen als het ware vroeger uit het leven dan nodig, enkel en alleen omdat de wet hier te kort schiet.

-          Euthanasie voor minderjarigen.

­Minderjarigen die ongeneeslijk ziek zijn en ondraaglijke pijn lijden die niet gelenigd kan worden, zijn volkomen uitgesloten van het recht op euthanasie. Toch is hun lijden even groot, de toestand waarin zij verkeren even ondraaglijk en mensonwaardig. Een aanpassing in de wet van 28 mei 2002 moet euthanasie voor minderjarigen mogelijk maken. De praktijk leert ons immers dat kinderen die zich in een uitzichtloze situatie bevinden een grote mate van maturiteit hebben, zeker ten opzichte van andere, gezonde kinderen. Het trekken van een leeftijdsgrens is bijgevolg een absoluut arbitraire aangelegenheid. Onze wet op de patiëntenrechten geeft jongeren en kinderen maximaal een stem in hun medische verhaal zonder dat er een leeftijdsgrens getrokken wordt.

HVV ijvert er dan ook voor de euthanasiewet uit te breiden voor wilsbekwame minderjarigen, en dit zonder een leeftijdsgrens, in overleg met de ouder/s en dit in analogie met onze Belgische patiëntenrechtenwet.

 

Maar zelfs met de verfijningen en de uitbreidingen is er nog een weg te gaan.

50 jaar geleden speelde HV een voortrekkersrol om de euthanasiewet erdoor te krijgen. Nu is het de taak van HVV om het volgende debat aan gang te trekken. Het kan niet dat er een groep in haar geheel door de wet uitgesloten zal blijven. Ook voor de verlengd minderjarig verklaarde en voor de handelingsonbekwaam verklaarde meerderjarige moet er een mogelijkheid zijn om euthanasie te vragen als zij de maturiteit daarvoor hebben.

De wet op de patiëntenrechten stipuleert: “De patiënt zelf moet zoveel mogelijk bij de uitoefening van zijn rechten worden betrokken.”

Het debat kan bijgevolg perfect gevoerd worden.

Zoals we vragen dat ook jongeren en kinderen over hun levenseinde kunnen beslissen als zij daarvoor de maturiteit hebben, zo vragen we ook op de euthanasievraag van  handelingsonbekwamen, zoals verlengd minderjarig verklaarden en mensen met een mentale achterstand, die door een team matuur genoeg verklaard worden, kan ingegaan worden. Het is namelijk niet omdat iemand zijn of haar materiële belangen niet kan behartigen en het moeilijk heeft om in onze maatschappij te functioneren, dat die iemand niet perfect over zijn of haar eigen lichaam kan meespreken. Wat geldt voor de seksualiteitsbeleving van deze personen, geldt ook voor vragen bij medische aandoeningen en voor vragen over het levenseinde.

We beseffen dat dit debat bijzonder gevoelig ligt omdat de geschiedenis hier meer dan ooit ervoor zal zorgen dat er veel tegenstand zal zijn. Maar HVV vindt dat geen enkel debat uit de weg gegaan mag worden. Ook kwam dit item nog niet vaak ter sprake en moet het hele traject nog afgelegd worden. Zowel binnen de ledenvereniging HVV, de vrijzinnige wereld en de samenleving zelf. We hopen in ieder geval op het professionele werkveld (instellingen, artsen en begeleiders, patiëntenverenigingen, …) te kunnen rekenen bij het voeren van een eerlijk debat dat niet al direct gesmoord wordt omdat de geschiedenis dit niet zou toelaten.

 

Voor meer informatie kan je terecht bij:

Jacinta De Roeck, gewezen senator en directeur van HVV

0475 – 75 93 53





Als leven te veel pijn doet

28 03 2012

Het klopt wat Ann Callebert besluit uit de 10 interviews die ze deed met mensen die ondraaglijk psychisch lijden: steeds meer mensen beseffen dat ook geestelijk lijden een reden kan zijn om euthanasie te vragen, en (in uitzonderlijke gevallen) ook te krijgen. Het klopt ook dat terecht te kunnen bij een hulpverlener met je euthanasievraag,  de nodige geruststelling kan geven om verder te leven. Toch is de rauwe realiteit nog altijd, dat een vraag niet altijd ernstig genomen wordt. Omdat het ‘geestelijke lijden’ weggelachen wordt, en erger nog, psychiatrische centra patiënten de deur wijzen die de vraag durven te stellen. Ik wil wel  een kanttekening zetten bij die euthanasievraag bij psychisch lijden. Het psychische lijden moet het gevolg zijn van een medische aandoening, zo bepaalt onze wet, er moet een DSM code aan verbonden zijn. Maw, je moet ‘psychiatrisch’ zijn. En daar knelt het schoentje: niet ieder persoon die psychisch lijdt is ‘psychiatrisch’ of wil het zijn.

Callebert heeft het in haar onderzoek over mensen die al sinds hun kindertijd worstelen met een doodswens, jongeren die opgroeien tot volwassenen die moeilijk relaties aankunnen. Zowel sociaal als gevoelsmatig staan en voelen ze zich alleen, ze zijn als het ware ‘ziek van zichzelf’. De vraag is of deze mensen voldoen aan de wet. Kunnen zij kiezen voor euthanasie en tegen zelfdoding? Kan er op hen een pathologie geplakt worden? Ik ben ervan overtuigd  dat het vaak niet om psychiatrische patiënten gaat, maar over mensen die zichzelf verloren hebben  en zichzelf nooit zullen terugvinden, als het ware  een existentiële aandoening die ze meedragen en die onomkeerbaar is. Onze euthanasiewet moet voor deze mensen (hoe weinig het er ook zijn) een uitweg bieden als erover praten niet helpt om de doodsvraag dag na dag, maand na maand en misschien lang genoeg op te schorten. Een ‘zorgende’ maatschappij biedt een ‘barmhartige’ oplossing voor deze mensen binnen het kader van de huidige euthanasiewet.

Jacinta De Roeck
Directeur Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging en gewezen senator





Wat met GGO’s?

8 03 2012

Hierbij een reactie op de artikels ‘GGO’s zijn nuttig’ en ‘De Vraag van 1 miljoen’ uit Het Vrije Woord van februari 2012.

In het laatste Vrije Woord werden 2 bijdragen omtrent ggo’s gepubliceerd: ‘GGO’s zijn nuttig’ van Geert Angenon en ‘De Vraag van 1 miljoen’ van Bart Staes.
De eerste – de wetenschapper – focusseert zich vooral op de voordelen, de tweede – de politicus – belicht het maatschappelijke impact. Artikels met verschillende invalshoeken over hetzelfde thema zijn boeiend om lezen. Het gebruik van Ggo’s laat een zeer gekend paradigma zien: patenten en lobbygroepen maken de bevolking schatplichtig aan multinationals. Door hun middelen en hun schaalgrootte slagen dergelijke bedrijven er veelal in om het snelst(!) patenten uit te vaardigen. Wie in een bepaalde branche werkt zal vroeg of laat op analoge. “uitvindingen” terecht komen. In het geval van productontwikkeling mag de snelste van de ratrace de anderen aan zijn overwinning onderwerpen. In veel gevallen worden patenten gebruikt om de anderen te hinderen – een typisch recent voorbeeld is de werkwijze van Microsoft die makers van Android-toestellen overdreven hoge rechten doet betalen voor enkele onbeduidende patenten. Deze kapitaalkrachtige mastodonten kunnen een leger lobbygroepen financieren zodat zij een vrij ondemocratische politieke besluitvorming kunnen forceren. Zo is het ICT-beleid van de EU Microsoft bepaald en wordt iedere schamele poging om open-source uit te gaan proberen – om onafhankelijk van deze multinationals te raken – in de kiem gesmoord. Dergelijk sneeuwbal-effect doet de macht van de politiek naar de multinationals verschuiven. De vrijheid van de kapitaal-accumulaties en de afhankelijkheid van de burgers ervan, wordt de “vrije” markt genoemd. In die zin kan ik een stuk meegaan in de argumentatie van Bart Staes, daar waar Geert Angenon deze gevoelige snaar handig probeert te omzeilen met het verhaal van EMBRAPA.

Ik heb anderzijds een aantal problemen met de bezwaren van Bart Staes.
Zijn eerste bezwaar is een opsomming van enkele open vragen waarmee je alle kanten uit kan gaan: “Hoe ver kan de mensheid gaan in het ingrijpen van de natuur?” Ik geloof dat de redenen om lijfsbehoud van zowel individu als van samenleving als van toekomstige generaties voldoende krachtige argumenten zijn om in de natuur in te gaan grijpen. De auteur geeft trouwens geen redenen aan waarom de natuur – de grote fascist – niet doorkruist zou mogen worden. Dient men dan de deeltjesversneller in Genève stil te gaan leggen? Of moet men in geval van ziekte de natuur zijn gang laten gaan? Ik vrees dat die “sacraliteit” van de natuur een onhoudbaar argument is. Ook de vraag “Worden er met dit soort onderzoek grenzen overschreden?” is meer stemmingmakerij dan argumentatie. Over welke grenzen gaat het hier? Is onderzoek of het ontwikkelen van nieuwe producten niet altijd het overschrijden van een grens? Zelfs de laatste vraag “Kunnen we met genen doen wat we willen of moeten we dit plaatsen in een context van respect voor ons ecosysteem?” Ik had natuurlijk graag van de auteur zelf vernomen of we met genen kunnen doen wat we willen, maar uit de context leid ik af dat Bart Staes daar negatief tegenover staat. Maar een reden krijgen we helaas niet te lezen. En als ggo’s er kunnen voor zorgen dat er minder fungiciden in de landbouw gebruikt hoeven te worden, “respecteert” men daarmee niet meer het ecosysteem?
Bovendien bestaat er zo iets niet als “het” ecosysteem, maar kunnen we slechts spreken van een plaatselijke en tijdelijke evenwichtstoestand van de omgeving.

Argument 2. De gevolgen op lange termijn. Het risico is altijd tweedelig. Het kan een risico zijn iets te gaan gebruiken, maar het kan evengoed een groter risico zijn iets niet te gaan gebruiken. In het kader van de toenemende bevolking (waar is het respect van de mensen tegenover het ecosysteem gebleven?) zouden ggo’s wel eens de oplossing kunnen zijn om het voedselprobleem binnen de perken te houden. Men vergeet al te vaak dat de huidige industriële landbouw (met zijn nefaste impact op de leefomgeving) er anderzijds heeft kunnen voor zorgen dat de voorbije eeuw er in Europa nagenoeg geen voedselschaarste was. Het is evident dat het nemen van risico’s in deze materie om louter geldgewin door de samenleving tegengegaan dient te worden.

Argument 3. Ggo’s zorgen voor een verschraling van de biodiversiteit. Ik geloof dat deze bewering ook geldt voor de klassieke industriële landbouw. Het impact van de negatieve effecten van ggo’s op de volksgezondheid dient inderdaad grondig bestudeerd te worden – Geert Angenon heeft het in dat verband over “hinderpalen”. Het zou mij verwonderen dat er op grote schaal ggo’s ingezet worden, zonder dat daar de effecten aan de volksgezondheid afgetoetst werden. Indien niet, dan is er nog wat politiek werk aan de winkel! Het laatste zinnetje in die
paragraaf: “ Al bestaan er wel degelijk enkele verontrustende studies”
zou beter in een “Magazine voor vrijdenkers” geschrapt worden.

Argument 4. Onderzoek toont aan het 70% van de Europese burgers tegen ggo’s is. Dat is natuurlijk geen argument voor of tegen het gebruik van ggo’s. Het is een vaststelling van een heersende opinie over het vraagstuk. Ik kan mij inbeelden dat een politicus gevoelig is voor dergelijke feiten, maar het kan geenszins gebruikt worden om een gedegen oordeel over het gebruik van ggo’s te maken.

Argument 5. Daar kan ik volledig mee inkomen (zie mijn inleiding over patenten). In die zin dient de ontwikkeling van ggo’s volledig open source te gebeuren.

Argument 6. Ggo-landbouw is onverenigbaar met biologische of duurzame landbouw. Dat lijkt me in een aantal gevallen in tegenspraak met een aantal voorbeelden die Geert Angenon aanhaalde (ongevoeligheid voor plagen en insectenvraat). Men zal geval per geval dienen te beschouwen.
Ik denk dat het grootste obstakel in deze discussie hem zit in het feit dat men alle ggo’s over dezelfde kam gaat scheren. Door het polariseren kan men het kaf van het koren niet meer scheiden. Al met al vind ik het argument van het afhankelijk worden van grote industriële concerns het meest bezwarende element in deze discussie. Laat ons dan ook hopen dat dergelijk maatschappelijk hangijzer voldoende politieke aandacht gaat krijgen. De maatschappij schept de mogelijkheden om gedegen technische vaardigheden op te doen. De multinationals gebruiken vervolgens gratis die kennis en vaardigheden van de burgers om de samenleving aan hen schatplichtig te maken. Is dat geen ethisch probleem dat eens goed onder een politieke loep genomen zou mogen worden? Of hebben de lobbygroepen de ketenen al al te strak aangespannen om nog een open en vrij onderzoek in die materie te kunnen voeren?

Bernard Decock (07/03/2012)





‘De ongelovige Thomas heeft een punt’

8 03 2012

Hierbij twee reacties op de boekrecensie van ‘De ongelovige Thomas heeft een punt’ uit Het Vrije Woord van februari 2012.

Ik heb zonet uw recensie gelezen van het boek van Braeckman & Boudry. Uw evaluatie kan ik niet beoordelen, ik heb het immers zelf niet gelezen (mijn hersenen zijn niet zozeer gulzig op vlak van voeding, maar wel van kennis, dus hoop ik het boek natuurlijk te winnen….)
Twee zaken doken spontaan in mijn geest op.
Thomas. Zoals u misschien weet bestaat er een apocrief evangelie van Thomas. Dat evangelie bevat enkel uitspraken toegeschreven aan Jezus van Nazareth. Hij wordt in dit evngelie voorgesteld als een mystiek leraar en het hele verhaal over zijn dood en verrijzenis, dat zo een centraal element is van het christelijk geloof en theologie, komt in het geheel niet ter sprake. Dat leidt bij sommigen tot het vermoeden dat er in de beginperiode van het christendom volgelingen van Jezus waren die daar geen belang aan hechtten (aangeduid als ‘Thomas-christenen) en dat het verhaal van de ongelovige Thomas in het Johannes evangelie in feite een afrekening met hen was.
Ik ben het helemaal eens met je opmerkingen over marxisme. Maar Marx was in de eerste plaats een filosoof, net zoals Adam Smith, in een periode dat de economische wetenschap zich moest ontwikkelen. Marxisme is natuurlijk een breed verzamelbegrip geworden. De wereldsysteemanalyse van Wallerstein valt er ook onder en wordt dat door Braeckman ook als pseudowetenschap beschouwd? Voor zover de economie natuurlijk een wetenschap is. Het mensbeeld van de economie, de rationele homo economicus is toch wel betwistbaar. En om een voorbeeld van de ‘andere kant’ te nemen: Milton Friedman en het neoliberalisme: is dat wetenschap of ideologie? Er zal in het geval van menswetenschap een grijze zone blijven: bij menswetenschappen vallen onderzoeksobject en onderzoeker samen en menselijk gedrag bestuderen en verklaren is toch wel iets anders dan de beweging van hemellichaam voorspellen.

pascal versavel (24/02/2012)

———————————————————————————————————————————

Ik ben het natuurlijk eens met de stelling dat we ons te gemakkelijk laten verleiden door wat u in uw recensie “geluksbrengers ” noemt. Ook denk ik dat we zo goed mogelijk de rede en het gezond verstand moeten inschakelen bij de beoordeling ervan.

Wat betreft “de wetenschap” leren we dat de theorie moet gestaafd worden door alle mogelijke proefnemingen, en bij tegenspraak moet de theorie verworpen of bijgesteld worden. Ondertussen weten we dat, wat we theorie noemen, in feite slechts modellen zijn die de werkelijkheid omschrijven, en die naarmate de wetenschap vordert aangepast worden.
Zo spreken we over het Rutherfords atoommodel, dat ondertussen al werd aangepast door de aanname van quarks, antiquarks, materie antimaterie enz. Het model werd verder aangepast door het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, en verder, als kers op de taart, waar Stephen Hawking ons leert over de “waarschijnlijkheid” van alle mogelijke paden die een materiedeeltje kan volgen. Voor een simpele geest als de mijne wordt dit mischien wel wat veel, maar we doen ons best.

Terug naar de geluksbrengers en de “pseudo-wetenschap”.
Nemen we als voorbeeld de astrologie. Voor alle duidelijkheid wil ik hier stellen dat ik daar absoluut geen geloof aan hecht, maar ik geef het toch graag als voorbeeld. Mensen worden bijna dagelijks geconfronteerd met astrologische voorspellingen, en voor wie er geloof aan hecht, kloppen ze ook. Het is te zeggen, we zien voorbeelden waar het “model” klopt, en daar waar het niet klopt, passen we zelf het model aan, of het is een uitzondering enz. Mischien zijn er wel karaktereigenschappen “statistisch” vast te stellen bij mensen die in een bepaald seizoen geboren werden. Dat deze karaktereigenschappen iets of wat met de stand van de sterren te maken hebben laat ik over aan de goedgelovigen. Het verschil tussen wetenschap en pseudo-wetenschap lijkt mij hier te zijn dat in het eerste geval de experimenten algemeen geldig moeten zijn, en in het tweede geval, ze enkel in de geest van de betrokkene geldig moeten zijn.

Hoe men het ook bekijkt, de mensen zijn gemakkelijker te overtuigen door eenvoudige modellen. Hierin ligt mischien wel het succes van deze psuedo-wetenschap. Ik denk niet, dat we mensen, die geloof hechten aan deze pseudo-wetenschappen, ervan kunnen overtuigen om er vanaf te stappen met het argument dat het niet wetenschappelijk is. Neen zo werkt het niet. Hoe spijtig we het ook mogen vinden, het is zo en niet anders.

Paul Van den Bossche (27/02/2012)





‘Religie voor atheïsten’

8 03 2012

Hierbij volgen enkele reacties op de boekrecensie van ‘Religie voor Atheïsten’ (Alain De Botton) uit Het Vrije Woord van november 2011.

‘De School van je leven’
Naar een praktisch vrijzinnig-humanisme
In zijn boekbespreking over ‘Religie voor atheïsten’¹ van de Alain de Botton vergelijkt Björn Siffer, in het Vrije Woord,  de man  met een vals zingende Helmut Lotti die op een populariserende manier filosofie van de gewone man brengt . Wat Björn vooral steekt bij de Botton is de veronderstelling dat we inzichten in de zwakheden van de mens en hoe daarmee om te gaan,  vooral te danken zouden hebben aan het christendom.  Uiteraard is Björn het met deze veronderstelling niet eens.

Maar is dat zo? Is de Botton een protagonist van de stelling dat atheïsten er niet in slagen een deftig surrogaat te verzinnen voor het ter ziele gegane christendom? Is dit de kern van zijn betoog? Dat alleen het christendom een patent op mededogen voor de zwakheid van de mens heeft ?  Ik denk het niet.

Wat  Alain de Botton interessant maakt is niet of het historisch correct is dat alleen het christendom iets te vertellen heeft over de menselijke zwakheden, uiteraard vertellen de oude Grieken en de verlichtingsfilosofen daar ook zinnige dingen over,  maar wel de manier waarop hij naar het christendom en in mindere mate,  naar het Jodendom, het boeddhisme en hindoeïsme kijkt.

Hij stelt daarbij een heel pertinente vraag :  kunnen we iets leren van religies zonder gelovig te moeten zijn? Wat maakt religies zo aantrekkelijk voor de meerderheid der mensheid? En waar schieten we in dit verband tekort in onze seculiere westerse wereld? Dergelijke onderwerpen doen in vrijzinnige kringen al snel veel belletjes van argwaan rinkelen. Ze zien het al rap als een ‘tjevenstreek’ om  godsdienstige premissen in het vrijzinnig discours te loodsen. Ik begrijp die bezorgdheid wel en ik zie ook het gemak waarmee je een dergelijk discours,  met enkele welgemikte citaten en verwijzingen,  richting  prullenmand stuurt.

Toch wil ik er bij stilstaan. Omdat religie wereldwijd een belangrijk fenomeen is. Omdat er staten op gebouwd zijn. Omdat het leven van miljarden mensen erdoor geregeld en beheerst wordt. Als vrijzinnige kan je dan wel zeggen dat dat allemaal onzin is, maar hier spreekt de macht van het getal. Wij vrijzinnig humanisten maken immers maar een heel klein percentje uit van het grote aanbod aan levensbeschouwingen gebaseerd op religieuze dogma’s of geopenbaarde wijsheden. Het kan geen kwaad, zoals Alain de Botton doet,  te onderzoeken wat de parameters zijn van het succes² van een religie waarmee hij cultureel  verbonden is.  Dit onderzoek lijkt me  een nuttige aanvulling bij antropologisch, evolutionair en neurologisch onderzoek  naar het ontstaan van religies én de werking van ons brein. Alain de Botton wil inzichten uit filosofie en wetenschap praktisch bruikbaar maken voor de ‘gewone’ man. En hij gaat daarbij uit van de empirische vaststelling dat ons geheugen nogal gebrekkig werkt. Het inspirerende aan de Botton is nu dat hij de ‘trukendoos’ van de religies : liturgische handelingen, rituelen, vaste feestdagen … wil vatten en toepassen op seculiere inzichten uit filosofie en wetenschap. De clou van rituelen en vaste kalenders is herhaling, herhaling. Zo werkt immers ook ons geheugen. Slechts door herhaling slagen we erin om zaken,  via ons  korte termijn geheugen, op te slaan in ons lange termijn geheugen. Geritualiseerde , op herhaling gebaseerde,  bijeenkomsten, herinneren ons  aan ‘good practices’ die we in de ratrace van ons dagelijks leven vergeten of waarvoor we geen tijd  hebben.

De Botton schrijft over een praktisch humanisme gebaseerd op wetenschappelijke en filosofische inzichten die hij toegankelijk wil maken voor de ‘gewone’ mens. In tegenstelling tot de traditionele ex-cathedra benadering van dergelijke materie in academische milieus, bepleit hij een levendige, interactieve, op de dagelijkse ervaring berustende aanpak waar ook aandacht is voor prettige omgangsvormen en instructies om beter om te gaan met onze ‘condition humaine’.

Het lijkt een boutade dat, met uitzondering van enkele vrijgestelde intellectuelen en/of academici, de meeste ‘gewone’ mensen geen tijd hebben om subtiele analyses te maken en diepe inhouden te zoeken, hoewel er zeker enkelingen tussen zitten die het uit hobby doen (bij vrijzinnigen zie je ze wel eens). Dat die gewone mensen met levensvragen zitten is empirisch aan te tonen. Vragen rond geluk, relaties, werk en gezin, opvoeding, maar ook emoties zoals verdriet, schaamte, radeloosheid waar ze niet steeds weg mee blijven. Het is precies over dit soort vragen en emoties dat Alain de Botton het heeft. En antwoorden zoekt . Gemakkelijke antwoorden, bruikbaar voor huis – tuin- en keukenproblemen. Problemen van alle dag. Wetenschap en filosofie geven die antwoorden maar omdat ze zijn niet meteen bruikbaar zijn voor ‘gewone’ mensen organiseert de Botton een “school of life”. Waar in cursussen van 3 uur antwoorden gegeven worden op vragen zoals: ‘ wat is liefde’, ‘moet ik mijn  vrouw trouw blijven’,’hoe moet ik omgaan met die vervelende baas van me’ enzoverder. Die antwoorden komen uit filosofie en wetenschap verpakt in verteerbare brokken en voor praktisch gebruik. Daarnaast speelt Alain de Botton  buurtje leen bij kerkgemeenschappen. Hij bekijkt met het oog van een sociaal antropoloog, ontdaan van haar sacrale en godsdienstige betekenis,  rituelen, plechtigheden, feestdagen, heiligenbeelden, gebeden, handelingen en tradities. En hij kijkt wat deze zaken met gewone mensen doen en hoe ze een rol spelen in hun leven.

En zo komen we bij een vaststelling die ontnuchterend is voor atheïsten en vrijzinnigen.

De mens is ondanks zijn ratio ook nog steeds een emotioneel, intuïtief en instinkt gedreven wezen. Met eigenschappen die, als je die niet corrigeert³ , leiden tot zijn eigen ondergang.

De mens is zwak en kwetsbaar. Zoals Diderot reeds vaststelde. Ik wil alles wel rationeel bekijken maar het doet toch verdomde pijn als mijn lief me bedriegt.

Wat zegt de Botton. Organiseer bijeenkomsten  in een speciaal restaurant, waar mensen samen eten die elkaar niet hoeven te kennen, maar waar de sfeer zo is dat iedereen kan spreken over wat hem of haar bezighoudt. Verwijzingen naar sociale status zijn taboe. In dit soort ‘agapes’ restaurants krijgen mensen  die verloren lopen opvang én een luisterend oor van zielsverwanten. Dat is een ander concept dan het uitgebreide tafelgedrag van seculiere zakenmensen en politici. Of een etentje onder vrienden.

In zijn hierboven vermelde boekbespreking vraagt Björn Siffer zich enigszins schamper af wat de Botton bedoelt met het woordje ‘ziel’.  In het Engels klinkt dat beter ‘soul’. ‘Soulmate’. Ziel, zielsverwantheid of soulmate is het  vermogen om met iets of iemand een diepgaande verbondenheid te voelen. Een verbondenheid die berust op, het seculier meer aanvaardbare begrip,  empathie wat volgens hersenonderzoekers  tot stand komt door  de aanwezigheid van ‘spiegelneuronen’ in ons brein. Dankzij spiegelneuronen kunnen we ons inleven in een ander. Kunnen we voelen wat een ander voelt.

In onze ratrace van iedere dag is er weinig gelegenheid om empathisch te zijn. Alain de Botton houdt een pleidooi om ruimtes te scheppen  waar dat wél mogelijk is. Ook hier kijkt hij naar religieuze gemeenschappen, omdat die een zeer lange traditie hebben van omgaan met menselijke ellende, maar ook met vreugde. Die in vaste rituelen, herdenkingsmomenten en handelingen steun en ruggengraat bieden voor mensen die troost of begrip kunnen gebruiken en door hun repetitief karakter de mens herinneren aan hun bestaan (herinner u het zwakke geheugen van de mens). Dit speelt zich niet af op het rationele vlak maar grijpt in op diepere lagen van ons brein. Die lagen die maken dat we al dan niet ergens goesting in hebben, ons leven met plezier leven, enthousiast zijn of wanhopig een uitweg zoeken uit ons lijden.

Over deze zaken gaat het bij de Botton, hij inspireert.

Een inspiratie die niet gebaseerd is op dogma’s maar op vrij onderzoek én waarbij hij rekening houdt met onze ‘condition humaine’  en ons gebrekkig geheugen. Zijn onderzoek naar de ‘methodiek’ van religies om belangrijk geachte inzichten, wijsheden of boodschappen te communiceren en over te brengen kan in deze ook inspirerend werken voor atheïsten en vrijzinnig-humanisten. En hij past dat ook in de praktijk toe. Via workshops in de ‘school of life’  maar ook via wekelijkse sermoenen, compleet met gezang, waar inzichten van interessante filosofen, poëten, schrijvers over de ‘dingen des levens’ met een enthousiast publiek gedeeld worden. Het interessante is dat deze benadering lijkt te werken. En een jong publiek aantrekt. Precies waar we hier in België, binnen de georganiseerde vrijzinnigheid, zo ’n behoefte aan hebben.

Marieke Höfte, Voorzitter H-VV

¹ Alain de Botton, Religie voor Atheïsten. Een heidense gebruikengids. Atlas, juli 2011, paperback, 317 pagina’s.
² Dit geldt uiteraard niet meer voor het geseculariseerde West-Europa, maar wel voor de rest van de wereld.
³ Dit is een bijzonder interessant onderwerp, omdat het gaat over de toekomst van onze planeet. Het valt helaas buiten het bestek van dit artikel.

—————————————————————————————————————–

De kritiek op het boek ‘Religie voor atheïsten’die in dit artikel wordt gebracht, gaat volgens mij ver over de schreef. Het geeft me de indruk van een allergische reactie op religieuze organisaties die veel handiger gebruik maken van de zwakke kanten van het menselijk bestaan en er zo in slagen mensen voor zich te winnen. De detailkritieken zijn misschien gerechtvaardigd, maar daardoor wordt de aandacht afgeleid van wat in feite de kern van de problematiek is. Alain De Botton gaat volgens mij naar de essentie. Hij illustreert het voordeel van religies en de moeilijke situaties waarin het seculiere verkeert. Het is inderdaad frustrerend voor de vrijzinnige om overtuigd te zijn dat religies volgens hen gebouwd zijn op irreële grondvesten en dat zijzelf toch geen goed alternatief vinden voor hun succesfactoren.

De tragedie van het huidige atheïsme is dat ze zoveel aspecten van religies, die nog steeds hun belang hebben in het goed functioneren van de samenlevingen, naar de achtergrond hebben verdrongen. God is dood, maar dat is niet het geval voor de sociale en psychologische aspecten die mensen aantrekken tot religies. Het belang van architectuur, kunst, natuur, samenleven, tegenslagen, dood en rituelen was al lang duidelijk, zeker voor wat betreft de stabiliteit van samenlevingen. Religies vermengen ze in hun leren. Maar het is niet gemakkelijk om die succesfactoren van religies te integreren in een nieuwe levensbeschouwing waarbij het accent verschoven werd van het bovennatuurlijke naar de natuur en de mens. De Botton laat zich daarvoor inspireren door vroegere denkers die al geprobeerd hebben een nieuwe weg uit te stippelen. Hij gaat op zoek naar een alternatief voor de religieuze kerken, kathedralen en tempels, voor de kunst waarmee deugdelijkheid en mededogen werden geïllustreerd en voor een God die alles overstijgt. Dat is niet gemakkelijk, want we hebben ondertussen al ervaren dat pogingen faalden voor het gebruik van kunst in de dienst van staatkundige systemen. Denk maar aan het gewezen Sovjet-communisme.

Ik vind het boek ‘Religie voor atheïsten’ een heel waardevol boek dat als aanzet kan dienen om toch een waardig seculier alternatief uit te werken voor de religieuze levensbeschouwing.

Mathieu Snykers





Twee kanten van hulpverlening rond zelfdoding

19 12 2011

Ik ben relatief jong, heb een klein warm gezin en wat te veel werk. Ik doe voort met het leven maar na al die jaren is dat toch allemaal vrij absurd, vind ik. Dat weten we thuis allemaal wel, op één of andere manier. Hoe ik mij voel. Andere mogelijkheden zijn onbestaande of afgesneden. En plots is het gewoon genoeg geweest en stap ik eruit. Op mijn manier, niet echt om zoiets na te doen.
Zelfdoding is in ons land een schrijnend fenomeen. Niet alleen omdat elke zelfdoding eigenlijk een kaakslag is voor de samenleving, maar vooral omdat we er niet in slagen de cijfers merkbaar en duurzaam naar beneden te halen. In het licht van de Gezondheidsconferentie Suïcidepreventie van 17/12/11 stellen wij in dit verband enkele vragen.

Op een lange termijn van vijftig jaar vanaf 1950 zien we in ons land globaal enkel cijfers in stijgende lijn. De suïciderate van de jaren ‘50-’51 was 13,3 per 100.000 inwoners, tegenover al 21/100.000 in 1997. Voor de evolutie 1990-2009 stellen we vast dat de cijfers van de jaren 2007 tot 2009 terug in de buurt komen van de cijfers van begin de jaren negentig! In 1993 bijvoorbeeld is er in Vlaanderen een suïciderate bij mannen van 25,22/100.000, een cijfer dat de jaren erop nooit lager is en in 2002 uitkomt op 26,48/100.000. In de periode 2000-2009 is er ook geen significante trend in de suïcidesterftecijfers. Het suïcidecijfer ligt in Vlaanderen 1,5 keer hoger dan het gemiddelde in de Europese Unie.

De cijfers blijven dus decennia lang hoog, ondanks alle mogelijke zorg en preventie. Wat is er aan de hand? De eerste Vlaamse gezondheidsdoelstelling bepaalde dat het aantal zelfdodingen bij mannen en vrouwen tegen 2010 verminderd moest zijn met acht procent tegenover 2000. Deze doelstelling werd bij mannen bereikt tussen 2006 en 2008 en bij vrouwen tussen 2001 en 2008. In 2009 waren er zowel bij mannen als bij vrouwen 6% in plaats van de vooropgestelde 8% minder suïcides in vergelijking met het jaar 2000. Dit is dus toch wel hoopgevend maar al bij al nog niet om van de daken te schreeuwen.

Wij staan hoe dan ook volledig achter de preventiecampagnes van de overheid en de betrokken instellingen. Maar we zien dat ze te weinig efficiënt zijn. Wij vragen ons dus af of we niet stilaan de grenzen aan het bereiken zijn van klassieke suïcidepreventie. Zelfdoding kan uiteindelijk in sommige gevallen toch niet vermeden worden. Hoe zit het dan bijvoorbeeld met volwassen transseksuelen, met jonge lesbiennes, met hardwerkende vaders van veertig, met ‘gezellig-gelukkige’ senioren in rusthuizen? Wat klaarblijkelijk niet vermeden kan worden, moet dit per sé ‘behandeld’ worden? Waarom laat een samenleving nog altijd toe dat een zelfgekozen levenseinde soms in mensonwaardige en rauwe omstandigheden moet voltrokken worden, waarbij naasten en derden ongevraagd meegesleurd worden? Treinsuïcides vermijden door meer en hogere hekkens te plaatsen is een goed preventiemiddel maar geen oplossing, want die is er niet. Zelfdoding is geen probleem dat ‘op te lossen’ is. Moeten we mensen straks verplichten om zich te laten behandelen tegen een mogelijke toekomstige zelfdoding, via vroegdetectie van symptomen? Op die manier wordt zelfdoding echt tot een probleem gemaakt, bijna een ziekte. Waar blijven we dan met het recht op zelfbeschikking: ‘Ik wil nu in eer en geweten omwille van mijn redenen uit deze wereld stappen.’

Ongetwijfeld zullen de bestaande preventiestrategieën en acties verfijnd en uitgediept worden. Maar als er grenzen zijn aan die strategieën, wat zien wij dan achter deze grenzen liggen? Durven we ons, ook als hulpverlener, die vraag stellen? Tot waar durven wij eigenlijk doordenken en doorpraten? Bestaat er een ‘hulpverlening’ die complementair is met preventie, maar ver aan de andere kant ervan gelegen is? Die hetzelfde effect beoogt, maar vertrekt van een ander uitgangspunt? Wij vinden van wel. En we stellen dat die andere kijk ook relevant is. Want meerdere suicidepogers blijven op het laatste moment uiteindelijk gewoon alleen en verlaten in de kou staan. Dit kunnen we als samenleving niet tolereren.

Ons uitgangspunt stelt dat een weloverwogen beslissing zo nodig gerespecteerd moet worden, en daarom structureel door de samenleving ondersteund mag worden. Wij pleiten voor meer open communicatie over zelfdoding. Niet voor meer media-aandacht, wel voor meer echte betrokken aandacht op het terrein. Voor meer taboedoorbreking in plaats van meer taboeïsering. Voor wat meer ‘het kan, mooi, als het moet’ en wat minder ‘het mag niet en het zal niet’. Voor een discours dat ruimte laat om het over het leven te hebben en dus ook over doodgaan. En omgekeerd! Voor een discours dat suïcide niet noodzakelijk koppelt aan psychische problemen. Preventie, waar mogelijk en nodig, aan de ene kant en zorg voor een humaan levenseinde, waar onvermijdelijk, aan de andere kant. Beide, in wederzijdse  samenhang, zijn uitingen van een modern humanisme dat een volwassen en warme visie ontwikkelt over leven en dood. Wie trouwens weet dat er een ‘laatste deur’ is, en waar die is, geeft in veel gevallen aan blij te zijn met dat gegeven. Het geeft rust, en zeer dikwijls ook terug de nodige levenskracht. Het biedt ook de erkenning die betrokkene nodig heeft om zelfbewust de eigen keuze  te maken – wetend dat die keuze eerlijk, en door de omgeving zou kunnen  begrepen worden. Of zoals iemand het ooit zei: En misschien komt er net dan een weg vrij die je – weliswaar schoorvoetend en voorzichtig – kan ‘gaan’. Zolang je wil, zolang het duurt, levenslang.

Jacinta De Roeck, directeur HVV
Peter Algoet, coördinator cel educatie en maatschappij HVV
Humanistisch Vrijzinnige Vereniging, werkgroep suïcide

Dit opiniestuk verscheen in De Morgen, rubriek De Gedachte, 17/12/12





Godsdienstig vuur tegen kritische media

14 11 2011

Na de brandstichting door moslimextremisten bij Charlie Hebdo
door Jan-Pieter Everaerts van het onafhankelijke Belgische e-zine De Groene Belg

“There can be no press freedom if journalists live in conditions of corruption, poverty or fear”
International Federation of Journalists

De brandstichting die in de nacht van 2 op 3 november in Parijs de redactie van het satirisch weekblad Charlie Hebdo in de as legde, zal het wel voor elke vrijzinnige duidelijk hebben gemaakt: met de opkomst van de islam in Europa laait de oude strijd tussen vrijzinnigen en godsgelovigen in alle hevigheid weer op. Letterlijk. In Parijs verstoren dezer dagen dan ook nog christelijke fundi’s een toneelstuk over Christus – “Sur le concept du visage du fils de Dieu” van Romeo Castelluci – en aan joodse medeburgers die elke krktiek op de apartheidsstaat Israël als antisemitisch willen bestempelen, is er jammer genoeg ook geen gebrek.

 Herinneringen aan nazi-boekverbrandingen

Brand stichten bij je tegenstanders: het is van alle tijden. In de V.S. was het bijvoorbeeld een strijdmiddel tussen de eerste filmstudio’s aan de westkust. En soms stak men niet alleen een concurrende studio in brand maar meteen een hele woonwijk. In Afghanistan verbrandden de Taliban bij hun aan de macht komen dan weer alle films die ze te pakken kregen. In de vlammen zag de historisch bewuste burger herinneringen opduiken aan de boekverbrandingen in nazi-Duitsland.

In eigen land was het het Antwerpse filmcollectief Fugitive Cinema – met Robbe De Hert als bekendste lid – dat zijn zaal King Kong in rook zag opgaan na een brandstichting door extreem-rechts. Nog in eigen land joeg extreem-rechts eveneens het laatste progressistisch Belgisch weekblad POUR (gevestigd in Elsene) begin jaren ’80 de vlammen in. Toenmalig hoofdredacteur Jean-Claude Garot was in die tijd bezig met het uitspitten van enkele politiek-financiële schandalen.

Begin november 2011 dan werden in Parijs de lokalen van het weekblad Charlie Hebdo in de as gelegd. Daar bleef het niet bij want ook de website van Charlie Hebdo ging plat. Dat gebeurde vanuit Turkije. Bij Bluevision, de Belgische webhost van het blad, liepen doodsbedreigingen binnen. De Franse krant Libération die Charlie Hebdo tijdelijk onderdak verleende, kreeg ook bedreigingen. Met name van één van de Turkse hackers die beweerden te handelen tegen “een belediging van onze waarden en ons geloof”. “Si Libération continue à publier ces dessins, nous nous occuperons d’eux aussi”, verklaarde ene Ekber, een jonge man van 20 jaar die in Istanbul geïinterviewd werd. De Turkse hackers distantieerden zich wel van de brandstichting. Ekber daarover: “Nous ne soutenons pas la violence. L’islam est une religion de paix. Ces actes sont le fait de gens qui se servent de la religion”. Aldus de jonge Turk waarvan op www.express.be te vernemen viel dat hij een universiteisstudent is en toekomstig informatica ingenieur.

En het begon allemal nog zo speels. In het eerste nummer van november “vierde” Charlie Hebdo – dat voor de gelegenheid de titel “Charia Hebdo” kreeg en de profeet Mohammed als hoofdredacteur had – “de overwinning” van de islamitische partij Ennahda in Tunesië. Zij het dan op satirische wijze. Blijkbaar bestaan er echter moslims die daar niet kunnen mee lachen. Met als gevolg: een golf van kritiek, haatoproepen, de brandstichting, het hacken en de doodsbedreigingen.

Niet het eerste het beste weekblad

Met Charlie Hebdo werd niet het eerste het beste blad aangevallen. Toegegeven, het weekblad dat ook in België te koop is, is voor de Belgische lezer vaak te sterk gefocust op de Franse situatie. Maar toch. Wie even op het Web zoekt naar waar Charlie Hebdo voor staat, denkt al snel in termen van “een instituut”

Wikipedia omschrijft het blad zo: “Charlie Hebdo est un hebdomadaire satirique français. Largement illustré, il est fait de multiples chroniques et pratique de temps en temps le journalisme d’investigation en publiant des reportages à l’étranger ou sur des domaines comme les sectes, l’extrême droite, le catholicisme, l’islamisme, la politique, la culture, etc. Sa ligne éditoriale communément admise est de gauche. Selon Charb, la rédaction du magazine reflète en effet « toutes les composantes de la gauche plurielle, et même des abstentionnistes » (http://fr.wikipedia.org/wiki/Charlie_Hebdo )

Op Wikipedia vind je ook dat het blad een voorgeschiedenis heeft die teruggaat tot 1960 toen de voorloper, het maandelijkse Hara-Kiri, het licht zag. Hara-Kiri noemde zichzelf « un journal bête et méchant ». Tijdelijke publicatieverboden in 1961 en 1966 maakten het Hara Kiri niet makkelijk om te overleven maar in 1969 kon toch overgeschakeld worden op een wekelijkse frequentie: Hara-kiri-hebdo. Wanneer het ministerie van binnenlandse zaken in 1970 een nieuw publicatieverbod oplegt – wegens een schokkerend geacht nummer na de dood van generaal de Gaulle – besluit de ploeg van het weekblad gewoon verder te publiceren, maar onder een andere naam: Charlie Hebdo.

Uit de jaren 70 onthield de redacteur van Wikipedia een verbazingwekkend goed gedocumenteerde kroniek over extreem rechts. Begin jaren 80 moet Charlie Hebdo er echter mee stoppen, bij gebrek aan abonnee’s. Zomer 1982 is het een nieuwe ploeg die opnieuw met Charlie Hebdo van start gaat en die een breed spectrum aan standpunten aan bod laat komen.

Maar het is twintig jaar later – november 2002 – een artikel over de Islam dat het blad de meeste kritiek oplevert. Na de aanslagen in New York op 11 september 2001, had Charlie Hebdo zich al gedistancieerd van sommige extreem-linkse stromingen die vanuit hun anti-amerikanisme, de islamisten weigerde te veroordelen. Wat het weekblad conflicten oplevert met dat deel van links. Ook rond de posities van Tariq Ramadan ontstaan er hevige meningsverschillen.

De laatste jaren zakten de verkoopcijfers van Charlie Hebdo weg. Eind 2009 werden er nog 53 000 exemplaren verkocht. Anno nu nog zo’n 48.000.

Op het Web bleef Charlie Hebdo lange tijd afwezig, tot op 10 september 2008, toen het startte met (het begin november gekraakte maar op maandagochtend 7 november toch al weer consulteerbare) www.charliehebdo.fr.

Wat Charlie Hebdo in de ogen van nogal wat van zijn lezers echter veel geloofwaardigheid kostte, was het conflict met één van zijn medewerkers, Sine, over een grap die de cartoonist gemaakt had over het nakende huwelijk van zoon Sarkozy met een steenrijk meisje van joodse afkomst. Net als Sine hebben inmiddels de meeste stichtende medewerkers het blad verlaten en is het huidige Charlie Hebdo volgens kritici nog slechts “een totale usurpatie van het oorspronkelijke blad” Hun voorkeur gaat nu uit naar het maandblad SINE Mensuel (http://www.sinemensuel.com/).

De meningsverschillen binnen en rond de redactie van Charlie Hebdo liepen diverse keren uit op aanslepende vetes en rechtszaken. Maar elkaars woningen of auto’s in brand steken, zo ver kwam het nooit. De geschillen werden uitgevochten zoals het hoort in een rechtsstaat: met woorden en desnoods tot voor de rechter, maar niet met vuur.

In de nacht van 1 op 2 november 2011 volgde echter de brandstichting door moslimextremisten in de lokalen van Charlie Hebdo (62, boulevard Davout, 20e arrondissement) en dat dus omwille van het numero “Charia Hebdo”.

 


De tekening van Charlie Hebdo met een vrolijke Mohammed die lacht: “100 zweepslagen, indien u niet sterft van het lachen”. In het Charia Hebdo nummer waren ook tekeningen te vinden die de “zachte charia” (islamitische wetgeving) illustreren alsook een “Charia voor mevrouw”. Achterin het nummer een tekening van Mohammed met rode clowsneus en de uitdrukking: “Ja, de islam is te verzoenen met humor”.

 Het houdt ook nooit op met godsdienstig geweld

Charlie Hebdo kennen we nu. En meteen werd een hele geschiedenis van problemen met kritiek op de islam opgerakeld. Een geschiedenis waar ook de doodsvonnis-fatwa toe behoort die Khomeiny uitsprak tegen de schrijver Salman Rushdie die jarenlang ondergedoken moest leven. Een geschiedenis die er niet in die mate (alhoewel, zie verder …) te vertellen valt rond de katholieke kerk die toch ook stevige kritieken te verduren kreeg uit de hoek van bv. surrealistische cineasten. Wat zou er gebeuren mocht Monty Python na “The life of Brian” (losjes geïnspireerd op het leven van Christus) ook nog “The Life of Bohammed” draaien?

In het weekblad Humo vroegen enkele moslimjongeren ooit waarom mensen in het Westen zo negatief staan tegenover de islam en niet tegenover het boeddhisme bijvoorbeeld. Het antwoord op die vraag lag voor de hand. Het boeddhisme heeft nimmer de grote oorlogen ontketend en heelder beschavingen onder de voet gelopen op de manier waarop de islam dat deed.

Integendeel: het waren de oprukkende moslimlegers die het boeddhisme in zijn bakermat India de genadeslag gaven. Eeuwenlang zou India kreunen onder een islamitische onderdrukking. Bij elke verovering werd het concept hernomen dat Mohammed al toepastte op de joden in Medina: de mannen vermoorden, de vrouwen en kinderen als slaven verkopen. De moslimlegers werden zo gevreesd dat als de vrouwen van een Indische stad zagen dat hun soldaten het niet konden halen, ze collectief zelfmoord pleegden door zich in brand te steken.

Op het Web zijn schattingen te vinden dat de Westerse christelijke ‘transatlantische’ slavenhandel zo’n 12 miljoen Afrikaanse slachtoffers gemaakt heeft, maar de islamitische slavenhandelaars hebben naar verluidt vanaf de 7de eeuw zo’n 18 miljoen mensen (Afrikanen, Aziaten en Europeanen) als slaaf verhandeld. (Maar er zijn ook bronnen die het zelfs over 28 miljoen Arabische slaven hebben.) De hindoes daarentegen hebben zich naar verluidt nooit verlaagd tot het verhandelen van mensen.

En het geweld vanuit christelijke en islamitische landen blijft verder gaan. Terwijl “god bless America” met zijn Europese en andere bondgenoten de wereld wil blijven domineren en desnoods bombarderen (zoals in LIbië), woedt het islamitisch geweld eerder van onderuit. In Nigeria bv. vielen begin november nog minstens 150 doden bij aanslagen opgeëist door de islamiitische sekte Boko Haram tegen politieposten en kerken. Wie weet overigens wat joods Israël in petto heeft als het effectief besluit de islamitische staat Iran vanwege zijn vermoede kerwapens te bombarderen ? Zou een mens niet moeten pleiten voor een verbod op godsdienst in de politiek?

Islam was niet bedoeld om democratisch te zijn

Er is al veel inkt gevloeid over de vraag of de islam al dan niet verzoend kan worden met het democratisch systeem zoals dat in West-Europa geleidelijk aan ontwikkeld werd, een evolutie waartoe ook in onze contreien, in het hertogdom Brabant met name, al in de middeleeuwen gepionierd werd.

Het antwoord op die vraag is te vinden in het boek “Islam voor ongelovigen” van Lucas Catherine. Deze linkse auteur beschrijft daarin hoe de profeet zich in “de eerste islamitische staat” (Medina) al meteen van zijn beste kant toonde. “Als absolute heerser bezat de Profeet de wetgevende macht.” (. . .) “Hij was de bevelhebben van het leger, hoofd van de zich vormende politie, die de interne tegenstanders opruimde. Hij beheerde de openbare financiën, op basis van één vijfde van de oorlogsbuit. Verder vaardigde hij reglementen uit die het leven van de slaven en de niet-moslims binnen de stad bepaalden.” (pagina 36)

“Hoofd van de zich vormende politie, die de interne tegenstanders opruimde.” “Opruimde“. Vermoordde dus. Klinkt dat als een ingrediënt voor een democratie ?

Weldus; wie trouw het voorbeeld van de profeet wil volgen, die kan geen democraat zijn.

Gelukkig willen de meeste moslims meestal ook “gewone” mensen zijn die temidden van familie en vrienden gelukkig en in vrede willen leven. En die dus hun godsdienst met matigheid toepassen. Maar het probleem is dat “extremisten” zich zo gemakkelijk kunnen spiegelen aan hun grote profeet. En die is anders dan een Christus of een Boeddha een echte oorlogsmisdadiger geweest. Eerst waren het karavanen die werden overvallen: een bepaald lafhartige taktiek. Vervolgens kwam het tot oorlogen tussen steden, tussen Medina en Mekka. Eén van de absolute dieptepunten uit Mohammeds leven was dat hij in Medina alle mannelijke joden van de Banu Qurayza liet vermoorden: “600 tot 700 mannen werden in een massagraf op het marktplein van Medina begraven en alle vrouwen en kinderen werden als slaaf verkocht.” (Catherine pagina 36)

Het moet hierbij toegegeven worden dat ook sommige Romeinse en andere heersers destijds deze combinatie van moorden en verkopen, toepasten. Evenmin hebben de moslims het elkaar vermoorden uitgevonden. Maar bij moslims blijft dat wel verder gaan, met name tussen soennieten en sjiieten in een land zoals Pakistan.

Hét grote verschil met het christendom is dat die godsdienst vreedzaam gesticht werd en dat Christus zich zelfs aan het kruis liet nagelen. Tot op het moment dat het christendom in Rome staatsgodsdienst werd – ca. 380 - was het een vervolgde godsdienst. Maar vandanaf werd het zelf een vervolgende godsdienst, wat aantoont dat ook met een vredesduif als stichter het snel ontsporen kan. Want altijd is er weer die absolute superdictator in de hemel op wie godsdienstige ‘leiders’ zich kunnen beroepen om zich het recht toe te eigenen te beschikken over leven en dood van hun medemensen.

“Les extrèmes se touchent?”

Eindeloos kunnen we ons blijven ergeren aan al de ongerijmdheden waarmee godsdiensten ons confronteren. Op de dag dat voor het onafhankelijk ezine De Groene Belg een eerste versie van deze tekst geschreven werd – zondag 6 november – ging het in de televisiejournaals uitgebreid over het islamitisch Offerfeest. Dat ‘feest’ herdenkt hoe Abraham in totale onderdanigheid zijn enige zoon aan “God” wou offeren, door zijn eigen kind de keel over te snijden. Kan het nog barbaarser en slaafser?

Jazeker. Denken we maar aan de “christenen” die op 23 oktober 1988 de Parijse cinema L’Espace Saint-Michel in brand staken als protest tegen “The Last Temptation of Christ” van de Italiaans-Amerikaanse regisseur Martin Scorcese. De aanslag gebeurde niet in een lege zaal. Er vielen 14 gewonden waaronder vier zwaar gewonden. Voor het leven verminkte mensen. Dezelfde “christelijke” groep pleegde nog aanslagen op de Gaumont Opera alsook in Besançon. Nog een andere aanslag van de groep veroorzaakte de dood van een toeschouwer. (Bron: Wikipedia) Dat uiteraard allemaal om te bewijzen dat Christus liefde is.

Misschien denkt u nu ook: merkwaardig hoe moslim- en christelijke extremisten zich van het zelfde brandstichting-wapen bedienen als extreem-rechts (zie de aanslagen tegen de King Kong en Pour). “Les extrèmes se touchent” ? “Daar waar ze toch elkaars zelfverklaarde vijanden zijn ? Dat geldt inderdaad voor Europees extreem-rechts en de islam. Maar anderzijds staat extreem-rechts wel overal aan de kant van hun ‘nationale godsdienst’ ; bij ons (en bv. ook in het Zuid-Amerika van de dictators zoals Pinochet) aan de kant van de katholieken, in Turkije bv. aan de kant van de islam enz. En het werkt ook in omgekeerde richting. Zo riep bv. de invloedrijke en meestal voor dialoog pleitende in de V.S. wonende Turkse imam Fethullah Gülen begin november radikaal op tot geweld tegen de Koerden. Via zijn website “herkul.org” verspreidde hij een toespraak over de Koerdische PKK, die hij besloot met het volgende “gebed”: ‘Zij die afstraffing verdienen. God, voer hen naar chaos, beëindig hun vrede. Steek hun huizen in brand en laat hen jammerend achter. Snijd hen bij de wortels af en laat hen verdwijnen. Vervul de opdracht.”

Hoe de godsdienstige horror beperken?

Verbieden dan maar al die godsdienstige horror ? Een weinig haalbare kaart. En het kan bovendien erg contraproductief werken.

Zit er iets anders op dan ons te blijven inzetten voor meer en beter onderwijs met daarin verwerkt het kennismaken door kinderen van jongsaf met alle vormen van religies en godsdiensten, zodat ze de claim van elke godsdienst van de enige ware te zijn, van jongsaf kritisch leren doorprikken.

Wat ook kan helpen is godenvrije alternatieven aan te reiken, religies zonder god maar met veel aandacht voor de aarde en al haar bewoners: de ‘Indiaanse’ Pacha Mama-religie, bij ons de bomencultussen van de druiden, de wijsheden van boeddhisme en taoïsme enz.

En uiteraard is het ook nodig om sociaal-economisch welzijn voor iedereen na te streven, want niets doet mensen zo vaak in extremistische godsdienstvormen vluchten als sociale uitsluting.

Verder past in plaats van al te veel ergernis, eerder compassie - medeleven - met al die mensen die zich laten wijsmaken hebben dat er een goddelijk ‘iemand’ zou bestaan waar ze heel hun leven rekening moeten mee houden. Bij de moslims houdt dat bv. ook in dat veel vrouwen hun hoofd altijd moeten inkapselen..

Wie zijn godsdienstig geïndoctrineerde medemens een beetje lief heeft, zal moeite doen om die medemens zich uit zijn mentale gevangenis te helpen bevrijden. Christenen spreken soms over “bevrijdingstheologie” maar dat is een contradictio in terminis. De echt bevrijde mens gelooft niet in superwezens maar neemt vrede met het korte leventje dat ons hier op Planeet Aarde te beurt valt en waar we samen het beste moeten van maken in plaats van ons tegen elkaar te laten opjutten door godsdienstige ‘leiders’.

Jan-Pieter Everaerts

Nawoord: de reacties op de brandstichting: kop in zand of zelfs vergoelijken

Een eerste iets wat opviel in de dagen na de brandstichting, was hoe “progressief” België haast blind bleef voor de brand in Parijs. Zou dat hetzelfde geweest zijn mocht er in Parijs bv. een moskee door fundamentalistische christenen zijn in brand gestoken ?

Nu was het op zondag 6 november tevergeefs zoeken naar een bericht over de brand op websites zoals die van de Indymedia’s (Antwerpen, Gent, Bruxelles), op die van Groen en Ecolo, op De Wereld Morgen, PVDA/Solidair, Vonk, Linkse Socialist, LEF, Kif Kif enzoverder. Niets te vinden over Charlie Hebdo ook op de webstek van de Vlaamse beroepsjournalisten VVJ. Alleen op de webstek van de Franstalige beroepsjournalisten van België was er een stukje met als titel: “Charlie Hebdo: locaux incendiés et site web piraté.”

Kijkt ‘progressief’ België de andere kant op omdat het zijn uit moslimlanden overgekomen kiezers niet voor het hoofd wil stoten ? Moeten ‘progressieven’ niet zowiezo altijd en overal opkomen voor persvrijheid en vrijheid van meningsuiting ?

In Parijs was er op zondag 6 november wel een manifestatie uit solidariteit met Charlie Hebdo. Verenigingen allerlei (waaronder de strijdbare vrouwenvereniging ‘Ni Putes, Ni Soumises”), politieke partijen, vakbonden en anderen kwamen hun steun betuigen aan één van de basispeilers van de democratische rechtsstaat: de vrijheid van meningsuiting.

Op de webstek van Ni Putes, Ni Soumises, kan men lezen dat de brandstichting een zoveelste uiting is van toenemend religieus extremisme in Frankrijk, ook van katholieke kant overigens. Het viel in de reacties in de Franse pers vanuit islamitische en katholieke hoek overigens op hoe men zich wel kantte tegen de brandstichting zelf, maar anderzijds ook het karikatureren van Mohammed en Christus onaanvaardbaar blijft achten en het blijft zien als een gebrek aan respect, een respect dat ook kunstenaars zouden moeten opbrengen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.